DiscoverVorming voor elke dag
Vorming voor elke dag
Claim Ownership

Vorming voor elke dag

Author: Ds. A.S. Middelkoop

Subscribed: 39Played: 4,182
Share

Description

De Vorming voor elke dag podcast. Goud uit het verleden. Gemunt voor vandaag.
1131 Episodes
Reverse
“Maar Abraham zeide: Kind, gedenk dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij vertroost en gij lijdt smarten.”   ‘Zelfs als deze man en Lazarus werkelijk geleefd hebben en wij hier een geschiedenis hebben, is dit vervolg, dit gesprek bij wijze van voorstelling zo gegeven, want Abraham weet van ons niet en er is geen gesprek mogelijk tussen gezaligden en verlorenen. Maar Jezus' gedachte is duidelijk, Jezus' voorstelling is duidelijk, Jezus' woord is duidelijk.   Abraham zegt tot deze rijke, deze eens zo rijke man: “kind!” Hij herkent hem en erkent hem als een kind van het verbond. Vergeten wij het toch niet, dat als iemand eenmaal in het verbond Gods was geboren en opgenomen, hij dit tot in der eeuwigheid zal blijven. Dat teken van de besnijdenis zal de smart in de hel nog vergroten. Hier is een kind van het koninkrijk buitengeworpen. Maar een kind van het koninkrijk, dat is wat.    Dat in de verlorenheid nog te moeten horen: kind! En ik was een kind. Zo nabij geweest te zijn en dan verloren te zijn gegaan, dat zal de smart verdubbelen. Dit was niet dan eigen schuld, door moedwillige en dadelijke ongehoorzaamheid. De man heeft geen gelegenheid te baat genomen om het verderf te ontgaan en hij heeft alle gelegenheden te baat genomen om het verderf te zoeken.   Gedenk — zegt Abraham. Daar is gedenken in het hiernamaals, een herinnering, die nooit meer sterft. Daar is een boek van gedenken voor Gods aangezicht, maar daar is ook een boek van gedenken binnen in ons en dat laatste wordt hier in de tekst nog verscherpt. Het wordt opgeroepen. Het wordt in nadere herinnering gebracht. „Gedenk, dat gij uw goed gehad hebt in uw leven en Lazarus desgelijks het kwade." Dan terug te moeten zien op alles, wat men bezeten heeft, en tevens dat men zich daar geheel in vergenoegd heeft, tevens dat men daar zich geheel aan gewijd heeft, dat men deze dingen bezeten heeft als het enig bezit, als het enig doel van het leven.    Dat goed verdrong God en de naaste, verdrong de religie en de kerk, verdrong wet en evangelie. Dat tijdelijk goed verdrong alle geestelijke en eeuwige goederen. Gedenk daarbij, dat Lazarus de smarten van het leven rijkelijk heeft moeten dragen en dat u die voor hem behoorlijk verzwaard hebt en geen vinger hebt uitgestoken om die voor hem ook maar enigszins te verlichten. Gedenk dat!’    
Deze aarde is van U

Deze aarde is van U

2026-03-1102:12

Deez' aard is uw, o Heer der heren! Uw is haar wond're hemelbaan, uw zijn haar bergen, dalen, meren, haar stromen en haar oceaan. Uw is de dag, uw is de nacht: 't leeft alles slechts door uwe kracht. Uw is deez' aarde, lief'lijk stralend, als zonnegloed haar ijs ontdooit. Uw is z', in lenteschoonheid pralend, met bloesems als een bruid getooid. Uw is z', als 't wuivend korenveld een rijke, schone oogstdag spelt. Uw is deez' aard', als woeste vlagen haar akker teist'ren en haar woud, als stormen door het luchtruim jagen en neev'len dalen, kil en koud, als 't witte sneeuwkleed is gespreid, waar zij eens bloeid' in heerlijkheid. Mijn hart zij 't uw' en heel mijn leven, t blijde straalt in zonnegloed, en ook als wolken mij omgeven, als stormen varen door 't gemoed. Gij zijt mijn God, al 't uw' is 't mijn': laat immer meer mij d' uwe zijn!
Preek over Joh. 16: 9.
1.Gelegd zijn in de armen van een Vader, Die belooft, dat Hij met ons een eeuwig verbond van de genade opricht, ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt en daarom van alle goed ons verzorgen en alle kwaad van ons weren of ten onzen beste keren wil. Dat is een belofte om van te duizelen.   2.Uw kind is gelegd in de armen van een belovende Zoon, Die betuigd en verzegelt, dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap van Zijn dood en van Zijn wederopstanding inlijft, zodat wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden.   3.Uw kind is gelegd in de armen van de Heilige Geest, Die verzekert, dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil. Hij verzekert, dat Hij ons wil toe-eigenen, hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassing van onze zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij eindelijk onder de gemeente van de uitverkorenen onbevlekt in het eeuwige leven zullen gesteld worden. Deze belofte van de drieënige God komt naar het woord van Petrus ons en onze kinderen toe (Hand. 2).   Daarom zijn wij in Christus geheiligd en tot genade aangenomen. Dat betekent dus, dat wij niet gelegd zijn buiten de grenzen van het verbond van de genade, maar dat wij vanaf onze geboorte zijn afgezonderd en tot een eigendom van de Heere zijn verklaard.   De Heere legt daarmee Zijn hand op ons en betuigt daarin, dat wij Hem toebehoren en kinderen van het Verbond zijn. Dit betekent niet, dat wij geëigend zijn tot de zaligheid, zodat deze ons niet meer ontgaan kan. Maar wel, dat wij afgezonderd zijn van de wereld en onder de bijzondere belofte en aanbieding van het heil zijn gekomen. Dat zijn de schatten van het verbond, waarvan Psalm 25 zingt.   Deze schatten gaan juist ten volle glanzen, wanneer alle aardse schatten verbleken. Wij kunnen ze ook vergelijken met een testament, waarin ze alle met naam en toenaam beschreven zijn. De erflater – de Heere Jezus – is gestorven en heeft het testament vast gemaakt in Zijn dood. En nu laat de Heere ons en onze kinderen met dit testament achter; met deze wissels, die alleen aan de bank van vrije genade kunnen worden ingewisseld. Dat testament ligt van Gods kant vast. Dat is niet Zijn eeuwige verkiezing, maar de voorstelling, de aanbieding, de verzegeling en de betekenis van de belofte Gods, ja de schenking daarvan, die een roeping en een uitnodiging inhoudt. Dat is van Gods zijde welgemeend.’  
  In de hemel is het schoon,   waar men zingt op blijde toon,   met een altoos vrolijk harte,   vrij van alle zorg en smarte;   waar men juicht voor 's Heren troon,   in de hemel is het schoon.   Lieve Jezus! Gij alleen   brengt ons naar de hemel heen;   want vergiffenis van zonden   wordt slechts in Uw bloed gevonden;   ware vreugde en zaligheên   schenkt Gij, Heer, en Gij alleen.   Lieve Heiland! Zie ons aan,   doe ons naar de hemel gaan,   leer ons naar Uw stem te horen,   anders gaan wij wis verloren.   Leid ons op de rechte baan,   dat wij naar de hemel gaan.   Bundel Johannes de Heer
  ‘Hij handelde dan in de synagoge met de Joden, en met degenen, die godsdienstig waren, en op de markt alle dagen met degenen, die hem voorkwamen.’ (Hand. 17: 17)   In de handel geldt dat je in stilte af kunt wachten tot iemand geïnteresseerd is in je product, of dat je erop uitgaat om nieuwe klanten te werven. Degene die afwacht, hoopt dat zijn product zo aantrekkelijk is dat mensen zelf in beweging komen naar hem toe. Dat kost niet veel inspanning; maar als mensen het product niet kennen zal dit ook niet veel omzet opleveren. Je moet een product aan de man brengen. Koude acquisitie noemen we dat, onbekenden in contact brengen met je product. Daar is moed voor nodig en een vlotte babbel.    Paulus blijft niet achter de schermen, met de boodschap die hij te brengen heeft. Het Evangelie van Jezus Christus deelt hij niet alleen in de samenkomst van de synagoge. Deze wekelijkse samenkomst met de Joden is belangrijk voor Paulus, maar hij werft veel breder dan alleen in deze kleine groep gelovigen. Hij gaat niet alleen om met mensen die toch al geïnteresseerd zijn in God en geloof. Paulus wil naast hen ook anderen bereiken. ‘Koude acquisitie’ zouden wij zeggen. Hij wil zijn netwerk van contacten vergroten en zoekt daarom de mensen op waar ze zijn. Paulus gaat daarom met de boodschap van Jezus Christus de straat op.    We treffen hem aan in Athene, op de markt.  Dat is een strategische plek. Niet alleen omdat er handel wordt gedreven, maar ook omdat het de sociale ontmoetingsplaats van de stad is. Paulus is van zichzelf geen vlotte spreker, ook heeft hij geen indrukwekkende verschijning. We moeten ons deze apostel niet voorstellen als een soort standwerker, die vanaf een sinaasappelkistje mensen op een emotionele manier inwint voor zijn boodschap. We leren Paulus in de Bijbel niet kennen als een redenaar. Wel is hij een man met een heel betrouwbaar overkomen en een navolgbare boodschap. Wie goed luistert, ontdekt dat er geen speld tussen te krijgen is. Hij kent de Joodse Bijbel door en door, heel het Oude Testament heeft hij ooit als jonge Joodse geleerde uitgeplozen. Dit helpt hem in het contact met de Joden. Maar ook mensen die nooit van de Bijbel hoorden, weet hij te bereiken met zijn boodschap.    Hoe hij dat doet? Door trouw elke dag weer te verschijnen op de markt en het gesprek te zoeken. Hij wordt een bekende figuur op straat, mensen die daar dagelijks komen herkennen hem al snel. Via de contacten die ontstaan weet Paulus de boodschap van het Evangelie te delen. Als vanzelf begint het rondom hem te gonzen van meningen over deze prediker. Eén ding is wel helder, Paulus heeft één focuspunt: Jezus Christus de Zoon van God. Wie die boodschap brengt, mag verwachten dat er respons komt. Dat was toen zo, maar is vandaag niet anders. Geloof en bekering, is het gevolg van de verkondiging van het Kruisevangelie. 
Preek over Joh. 15: 20.
‘U kent waarschijnlijk het verband waarin het Boek Klaagliederen staat tot Israëls geschiedenis. De Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuagint, heeft vóór de woorden van hoofdstuk 1: 1 de volgende inleiding: Nadat Israël in gevangenschap gevoerd en Jeruzalem verwoest was, zette Jeremia zich wenend neer, klaagde over Jeruzalem en sprak'. En dan volgen de eerste woorden van het Bijbelboek: Hoe zit de stad zo eenzaam, die vol volks was'.   Jeremia is dus in hoge mate betrokken bij de profetie die hij in de Naam des Heeren brengt. Een oudtestamenticus schreef ergens, dat Jeremia en Ezechiël het meest van al de profeten hebben geleden aan de boodschap die zij moesten brengen. Jeremia weent over Jeruzalem, de stad waarover straks de Koning Die komt in de Naam des Heeren, zal wenen. Die betrokkenheid bij het oordeel is nu ook de achtergrond vanKlaagliederen 3: 'Ik ben de man, die ellende gezien heeft door (of: onder) de roede van Zijn verbolgenheid'. En hoewel de profeet in vers 33 zegt, dat God de mensenkinderen niet van harte plaagt of bedroeft, somt hij toch maar in de eerste zestien verzen van hoofdstuk 3 op, hoe God Zich tegen Zijn volk keert. In maar liefst vierentwintig spreuken omschrijft hij de slagen, die God op Israëls rug doet neerkomen, om dan te eindigen met de rechtstreekse aanspraak: 'Gij hebt mijn ziel ver van de vrede verstoten, ik heb het goede vergeten' (vs. 17). Wie is eigenlijk die 'ik'? Bedoelt Jeremia dat God alle slagen op hem persoonlijk deed neerkomen? Nee, hier zijn de persoon van de profeet en het volk waar zijn boodschap, ook zijn tranen, voor bestemd zijn, tot eenheid versmolten. Jeremia is in de last die hij draagt en in het volk welks verdriet hij vertegenwoordigt en tot in zijn gebeente voelt, voorloper van Hem Die de straf droeg, welke ons de vrede aanbrengt.   Na die zeventien verzen, die ene grote klacht vormen, komt dan ineens de omkering: 'Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen'. En dat zegt dan de man die drie verzen eerder zei: 'Mijn hoop is vergaan (weg) van de Heere'. Vanwaar die plotselinge omkeer? Er zijn twee redenen voor. Allereerst ontdekt Jeremia, dat hij en zijn volk er nog zijn, dankzij Gods goedertierenheden en barmhartigheden en Zijn grote trouw (vers 22). Met het oog op dit wonder zegt hij: 'Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen' (vers 21). Gods volk is zelfs te midden van de oordelen niet uitgeroeid, maar blijft bestaan als teken van Gods trouw. Dat is het wonder van wie door al hun deugden heenzakken als een lekke mand. Zij kunnen voor God niet bestaan en Hij tuchtigt hen. Maar in het midden van Zijn toorn gedenkt Hij aan het ontfermen. Er is een grens. Ik ben er nog. Zijn trouw is groot.   De tweede reden waarom de profeet vóór het volk uit hoopt op God, van Wie de hoop vergaan was, is dat de Heere zijn Deel is. Het Hebreeuwse woord, door 'deel' vertaald, ziet op het erfbezjt. Israël en Juda zijn hun steden, huizen en vooral hun land kwijt. Dat land was immers onderpand van Gods belofte, het erfbezit binnen het verbond met God. Wég is dit alles! Zal God dan Zijn volk in leven behouden, maar Zijn verbond stop zetten? Waar zijn de tekenen, door Zijn gunst gegeven? Hoor! De Heere is mijn Deel. Hij komt in de plaats van wat ik kwijtraakte. Hij vervult Zelf door het oordeel heen de lege plek, die Zijn slagen achterlieten. Daarom zal ik op Hem hopen. Jeremia klaagt... Jeremia zingt! Er gaat een poort open. Hoop en toekomst door het oordeel heen. Na zeventig jaar keren ze weer als in een blijde droom. Het land van de belofte gaat open. En daarachter de belofte van het Vaderhuis en het nieuwe Jeruzalem.   Zo is de Heere. Wie op Hem hopen, zullen niet beschaamd worden. Zij zullen beschaamd worden, die trouweloos handelen zonder oorzaak.’  
Jezus, Zielevriend in nood, Leen mij schuilplaats in Uw schoot, Als op ’s levens oceaan Dreigend hoog de golven gaan. Geef dan aan mijn ziele rust In het bange noodgetij, Tot Uw hand, behouden mij Landen doet aan ’s hemels kust. Buiten U, waar zou ik gaan? Hulploos hangt mijn ziel U aan; Laat mij naar mijn smeekgebeên, Machtig Helper, niet alleen; Als de laatste lichtstar dooft, ’k Neerzink zonder tegenweer, Dek dan met Uw vleug’len, Heer, Gij mijn arm en weerloos hoofd. Meer dan alles, Heer', is mij Uw genade en medelij, Die hier in hun angst en nood Reddelozen redding bood; Redloos ben ’k door eigen schuld, Maar Gij, zonder vlek of smet, Hebt Gij ’s Vaders heil’ge wet, Och, zij ’t ook voor mij vervuld.
Door haar eigen schuld is de bruid de Bruidegom kwijt, althans in haar ervaringsleven. Ze heeft Hem afgewezen in Zijn liefde, terwijl Hij bij haar voor de deur stond en klopte om binnengelaten te worden. Toen ze na verloop van de tijd alsnog de deur voor Hem opendeed, was Hij verdwenen. Nu zoekt ze Hem, in de nacht. De bruid van Hooglied 5 beseft heel goed dat ze het er zelf naar heeft gemaakt, maar dit houdt haar niet stil in een hoekje. Integendeel, ze gaat de straat op en zoekt Hem. Maar zij vindt Hem niet.    In de nacht ontmoet ze de dochters van Jeruzalem. Tegen hen vertelt ze over de Bruidegom. De vraag van de jonge vrouwen in de nacht heeft als functie om de bruid te brengen tot het besef hoe zij zich nu tot haar Bruidegom verhoudt. Zij bezingt Hem in Zijn schoonheid. Het is alsof dit lied de weg plaveit naar terugkeer tot Hem. In de taal die ze gebruikt ontdekt ze dat ze wel ver van Hem is, maar Hij niet ver van haar. Als gevolg daarvan ziet ze Hem weer zoals ze Hem eens zag. Wat verstorven was, komt nóg meer tot leven. Waar ze naar verlangde, wordt weer ervaring. Als gevolg van haar getuigenis over de Bruidegom, weet ze nu precies waar Hij is. Namelijk in Zijn tuin. Hij Die ver was, blijkt nabij.    In Hooglied 6 gaat het dan heel snel. Met dat ze beseft waar Hij is en wat Hij daar doet, treft ze zichzelf als het ware direct aan in Zijn armen. Dat is waar het in Hooglied 6: 3 over gaat. ‘Ik ben mijn Liefsten, en mijn Liefste is mijn, Die onder de leliën weidt’. Dit is taal van liefdesomgang, ze weet zich veilig en geborgen bij Hem.    Opvallend is dat ze in Hooglied 2:16, in vergelijkbare omstandigheden, een andere volgorde van woorden koos. ‘Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn, Die weidt onder de leliën’. De levensles die ze in hoofdstuk 6 dieper begreep dan in hoofdstuk 2, is dat het werkelijk alleen de trouw van de Bruidegom is, die de grond onder hun liefdesomgang geeft. Was het eerst ‘ik en Christus’, later wellicht ‘Christus en ik’; nu is het ‘Christus alleen’. Het is eeuwige liefde, die Hém bewoog. Waar liefde tot Christus niet gevonden wordt, spreekt Paulus van vervloeking (1 Kor. 16: 22).   Het geloof spreekt niet in abstracties over Christus, niet over een geliefde die enkel op een afbeelding zichtbaar is. Nee, het spreekt van ‘mijn Liefste’. Dat duidt op omgangstaal. Zoals Paulus naderhand duidelijk maakt: met Christus geborgen in God.  De werkelijke identiteit van een christen ligt niet in onze maatschappelijke positie, evenmin in een bepaalde levensvisie. Het hart van het christelijk geloof klopt voor Christus. Dat is wat de Heilige Geest werkt in het hart; in Christus kennen we tevens de Vader.  
‘Men stelt het vandaag nogal eens zó voor dat de preek antwoord moet geven op de vragen van de mens van nu. Daarbij heeft het dan de schijn dat de mens van vandaag een grootheid is, die op zijn wenken bediend moet worden en als dat niet gebeurt dan het recht heeft ontevreden te zijn. De zaken liggen echter nog wel wat anders. God stelt in Zijn openbaring zaken aan de orde, die de mens uit zichzelf niet op de agenda van zijn leven zet, ja waarvan hij eigenlijk niets moet hebben. Net als de openbaring zelf breekt de preek van boven af in het leven van de zondaar in - en die zit ook in de kerk - om daar ruimte te maken voor Gods werk en ons te leren de dingen niet bij eigen licht - dat duisternis is - te zien en te beoordelen. Men zou dit het ontdekkend element in de prediking kunnen noemen. Het gaat er dan niet om hoe men het graag heeft, maar wat men nodig heeft te weten. Dit kritische element van de prediking is nodig ten aanzien van de enkele mens in de gemeente in zijn verhouding tot God, maar ook in bredere zin wat de in een bepaalde tijd en op een bepaalde wijze aan de orde zijn van de diepste levensvragen betreft. De preek dient dan te doen zien om welke vragen het eigenlijk ten laatste gaat, op welke wijze deze gesteld dienen te worden, en waar en op welke wijze hun oplossing gevonden wordt. Het moet wel duidelijk zijn dat men hier met het slaken van kreten en het doen van algemene beweringen niet klaar komt. De zaken zelf dienen doorlicht te worden op zijn tijd en op een wijze, die de gemeente verstaat en waardoor zij werkelijk inzicht bekomt ook in de tijd, waarin zij leeft. Zo zal ook de tijd de prediking prikkelen om uit de schat van het Woord oude en nieuwe dingen te voorschijn te brengen. Zo zal de gemeente geworteld, gebouwd, maar ook toegerust kunnen worden tot het dragen van de wapenrusting.’  
Urbanisatie De groei van de wereldbevolking heeft in de afgelopen decennia een enorme vlucht genomen. De getallen spreken voor zich. In 1830 telde de wereld 1 miljard wereldbewoners, in 1930 groeide dit aantal tot 2 miljard. Daarna lijkt de groei te versnellen. In 1960 telden we 3 miljard, in 1974 zo’n 4 miljard en in 2000 6 miljard wereldbewoners. Deze lijn zet scherp door, in 2011 telden we 7 miljard wereldbewoners, in 2022 8 miljard wereldbewoners. Missioloog dr. Michael W. Goheen merkt op: ‘In 1800 leefde 5% van de wereldbevolking in steden’. Hij stelt dat halverwege de 21ste eeuw 80% van de wereldbevolking in steden zal wonen.    In Nederland zien we enerzijds een trek vanuit de stad naar het platteland, vanwege nieuwe mogelijkheden voor thuiswerken. Anderzijds groeien steden. Met het aangrijpende bijverschijnsel van voortdurende kerksluitingen. Wonderlijk genoeg blijken allerlei migrantenkerken als bloembollen in het voorjaar een groen kopje boven de grond te steken. Tegen de trend in.    Hart en handen Naast deze urbanisatie, ontstaat er een vacuüm als het gaat om zorg voor de naaste. Met name in de steden, waar de individualisering sterker is dan op het platteland. Onze samenleving vereenzaamt en de overheid trekt zich terug uit de cirkel van directe nabijheid van kwetsbare mensen. De vergrijzende samenleving is te duur voor een verzorgingsstaat. Vandaar dat er ruimte ontstaat voor burgerlijk initiatief. De zorg voor de kwetsbare naaste in zijn eenzaamheid en soms deplorabele omstandigheden roept om een antwoord.    De eeuwen door heeft de kerk hier een taak gezien. De vroegchristelijke kerk vormde een magneet in de samenleving, omdat christenen met hun dienstbare levensstijl duidelijk maakten wat het betekende om Christus na te volgen. In Mattheüs 25 stelt Jezus dat Hij via de kwetsbare medemens ons als het ware de vraag stelt: ‘Wat doe je nu met Mij?’ Dit zegt Jezus in de context van het laatste oordeel. Het gaat hier dus over een zwaarwegende vraag. De eeuwige bestemming van de gedaagde wordt er aan verbonden.    Door de jaren heen is het mijn ervaring dat in de achterstandswijken van onze steden de openheid voor het Evangelie groot is. Wie wel eens evangeliseerde, zal met mij de ervaring delen dat medelanders in deze wijken meer ruimte bieden voor gesprekken over het evangelie dan geslaagde mensen achter dure voordeuren. Ik heb meer gesprekken over het Evangelie gevoerd bij overstromende asbakken en bierviltjes, dan in penthouses.    De stad roept om hoofd, hart en handen voor de verkondiging van het Evangelie en de zorg voor de kwetsbare naasten. Daar leven duizenden die in geestelijk opzicht het verschil tussen hun linker- en rechterhand niet kennen, als bij Jona’s Ninevé.   Missio Deï In de afgelopen eeuwen verspreidde zich het Evangelie over alle continenten van de wereld. Het muntje in het busje voor kinderen in donker Afrika heeft vrucht gedragen. Het zwaartepunt van de kerk is in de afgelopen decennia verschoven naar het Zuidelijk halfrond. Een ongekende beweging vond plaats, die ons eerbiedig doet buigen voor de Heere in het besef dat de verbreiding van het Evangelie werkelijk missio Deï is. Hij staat er Zelf voor in.    Verkondiging Bovenstaande overwegende, stelt dit ons de vraag hoe de toekomst tegemoet te treden als burger van één van de meest geseculariseerde landen van de wereld. Hierbij vormt de Woordverkondiging de sleutel. Maar ‘hoe zullen zij in Hem geloven, van Welke zij niet gehoord hebben?(Rom 10: 14b) Dit betekent dat de bediening van de verzoening in de steden om revitalisatie vraagt.    Voor ons kerkgenootschap betekent dit dat we onze ogen leren richten op de stad. Om daar met Woord en daad de Heere te dienen in de wijken. Laten preekstoelen gered worden van de sloophamer, om gevuld te worden met predikers van soevereine genade voor verloren zondaren. Laten verpauperde Godsgebouwen weer druisen, tot Gods eer. Als dit ons iets mag kosten, dan misschien allereerst onszelf?    Beter dan dr. J.H. Bavinck kan ik het niet uitdrukken, wat dan het richtpunt zou moeten zijn bij deze opdracht: ‘En nu is het wel waar, dat wij van die liefde met woorden alleen niet genoeg vertellen kunnen en dat wij het ook met daden betonen moeten, maar de nadruk valt toch altijd op de liefde van Christus. Hem moeten wij prediken en dat kan niet zonder woorden. Pas wanneer wij telkens met eerbied spreken over onze Heiland en Meester, zullen onze hoorders ook de barmhartigheid, die wij betonen, niet gaan zien als bewijzen van onze voortreffelijkheid, maar als vruchten van het werk van Hem, Die ons eerst heeft liefgehad. Woord en daad kunnen nooit van elkaar gescheiden worden.’  
‘Hier heeft de geestelijke leiding haar basis. De prediking spreekt in aansluiting aan deze Woord-belofte-eis-relatie. Zij gaat echter fout, wanneer zij zou onderstellen, dat deze relatie in feite bezit van de geestelijke weldaden onderstelt. Juist in de verbondsgemeente geldt: Indien iemand niet wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien en niet ingaan. Het klassieke doopsformulier zij hier leidraad voor geestelijke leiding.Wij mogen in de prediking de genade niet over de natuur zetten en de bondeling aanspreken als ware hij een gelovige. Wij kweken dan wel een „geestelijke" beschouwing, maar onderwijzen niet in het leven door en uit het Verbond Gods. De prediking dient te leiden tot het besef, dat radicale vernieuwing van de bondeling naar het verbond moet, mag en kan geschieden, juist omdat God het verbond met ons en onze kinderen aanging. Dit moet juist als evangelie ten volle verkondigd worden. Zo kan er ook plaats komen voor Christus als Borg des Verbonds. Christus is geen helpende Zaligmaker, die rijke jongelingen en jongedochters de handen oplegt en hen goedkeurend bemoedigt in hun algemene religiositeit. Juist nu het gevaar van vervlakking allerwege dreigt, dient de geestelijke leiding helder en scherp te zijn, opdat het snode van het kostelijke klaar worde onderscheiden. Om dit te bereiken is de onderscheiding in onbekeerden, bekommerden en bevestigden ongenoegzaam. Er is in de verbondsgemeente veel meer verscheidenheid. In een onderwerpelijke, onderscheidende en ontdekkende prediking zal zij daarom benaderd moeten worden.’ 
Preek over Joh. 4: 13-14.
‘En ik héb Hem aangeroepen, ik Jaïrus, en Hij vergeet mij. Nóg terwijl Jezus sprak, zegt Lukas om te benadrukken hoe Jaïrus geschokt, wordt - nóg terwijl deze woorden van behoud uit Zijn mond klinken, komt er een uit Jaïrus' huis met de boodschap: Uw dochter (met klemtoon!) is gestorven; zijt de Meester niet moeilijk. Deze dochter gaat heen in vrede. Maar haar vrede kost mijn dochter het leven. Zijt de Meester niet moeilijk. U ziet toch, dat Hij het te druk heeft met anderen? Het is niet voor u. Laat Hem gaan, Jaïrus, aan uw huis inmiddels een sterfhuis - voorbij. Net als bij Lazarus is het hier immers te laat? Nee! Tot déze gekwelde Jaïrus spreekt de Zaligmaker dezelfde taal als tot die dochter die twaalf jaren bloed had gevloeid. Geen onderscheid in de nood? Geen onderscheid in het Evangelie. Erbuiten gezet? Er binnen gesloten. 'Vrees niet, geloof alleen, en zij zal behouden worden'. Dood is niet dood. Jezus komt bij het bed. Mensen jammeren, slaan zich op borst en hoofd in nagemaakte gespeelde, opgevoerde rouw. De tot dit doel gehuurden zijn er al. De vorst der duisternis, de koning der verschrikking is de Levensvorst vooruit. En in die gehuurden lacht hij Jezus uit, wanneer Hij zegt dat de dochter slaapt. Zij weten wel beter! De dood schijnt het dit keer te winnen van Hem, Die het leven is. Maar Jezus grijpt haar hand en roept, zeggende: Kind sta op! En zo gebeurt het. Jaïrus en zijn vrouw en de discipelen hebben een les voor het leven geleerd. Allereerst: mijn eniggeboren dochter is niet waardiger dan de dochter die twaalf jaar bloed vloeit. Het 'ik ben het niet waard' van de bouwer van de synagoge wordt de les voor haar overste. Ten tweede: er gaat kracht van Jezus uit tot behoud. Het kan, maar gaat Hij mijn deur voorbij? Zal ik in het zicht van de haven stranden? Ten derde: de tegensprekers komen opzetten. Vroom in de vorm van de boodschapper uit zijn huis. Zijt de Meester niet moeilijk. Hij heeft méér te doen. Vergeet Hem en laat Hij u vergeten. En grof en goddeloos in de vorm van de klaagvrouwen. Zij belachen Hem, want zij weten dat zij gestorven is. Wat wil Deze? Wij hebben toch de triomf van de dood geconstateerd? En vroom en grof zingen één deun: te laat.  Ten vierde: Jezus hoort het en zegt: Vrees niet, geloof alleen. Dat wil zeggen vergeet niet Mij maar al die andere stemmen. Leg het naast u neer, want Ik ben er. De Heere geloven is altijd Hem alleen geloven.  Ten vijfde: zij zal behouden worden. Het gebruikte werkwoord betekent meer dan dat de dochter in dit leven opstaat en haar bestaan voortzet. De Heere redt volkomen wie Hem alleen overhouden en geloven. Hoelang duurt het nu al? Jaren op Hem gehoopt en niet geholpen? Om u heen en in u zeggen ze: Het is te laat, het kan niet meer. U hebt de klaagvrouwen al gehuurd. Maar vergis u niet. Laat de dood zich maar vergissen, doch vergist u zich niet. Vrees niet, geloof alleen. Daar vallen alle stemmen weg. En Hij spreekt van blijde troost en vrede en maakt de doden levend.  
Preek over Psalm 105: 8.
Laat heel de wereld zinkenmet al wat haar behoort,de dag heeft uit met blinkenen gaat tot d' avond voort.Wij willen samen zwijgenen sluiten onze kring,tot onze vreugden stijgendoor deze schemering.De vreugd' is kern der dagen,die blijft waar alles vlood,wanneer w' ons zelf maar wagen,al waar' 't ook in de dood.Er is slechts één vergeven:daar waar ons God vergeeft;er is ook slechts één leven:dat uit Gods liefde leeft.
JaïrusVan dezelfde synagoge, die de hoofdman te Kapernaüm uit liefde tot Gods volk heeft laten bouwen (7 : 5), is Jaïrus overste. Hij is de man die in de synagoge de leiding heeft, zelf uit de Schriften voorleest of anderen daartoe uitnodigt. Jezus wordt gebeden in zijn huis te komen, want hij heeft één dochter van ongeveer twaalf jaar, en die is doodziek. Zal Jezus niet direct komen en dat kind genezen? Doodziek betekent immers dat geen uitstel gedoogd kan worden! Tweemaal komen we in het Evangelie zo'n 'geval' tegen. Hier de dochter van Jaïrus, en straks (Joh. 11) Lazarus. In beide gevallen stelt Jezus Zijn komen uit. Waarom? Wanneer Lazarus gestorven is, zegt Jezus tot Zijn discipelen: Ik ben blij om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij geloven moogt'. En hier bij Jaïrus bedient Hij Zich van dezelfde taal: Vrees niet, geloof alleenlijk'. God beproeft mensen, en soms lijkt het alsof Hij kwelt. Maar in werkelijkheid werkt Hij via een omweg van uitstel, dat afstel dreigt te worden, geloof in het hart dat Hem alleen voor het wonder van de genezing zocht. ArtsJezus gaat mee, doch wordt verdrongen en tegengehouden. Het lukt niet, het gaat niet snel genoeg. Reken gerust dat Jaïrus' hart ineenkrimpt. De enige Arts Die helpen kan, komt dadelijk ook nog te laat. Overigens laat Jezus Zich niet door 'niets' of voor 'niets' tegenhouden. Er is een vrouw. Jazeker er zijn zoveel vrouwen. Nee, let eens op: dit is een apart geval. Deze verkeert in gelijke omstandigheden als Jaïrus dochter. Alle geld aan artsen gespendeerd, en niemand had haar kunnen genezen. Lukas, de arts, weet wat hij schrijft wanneer hij deze vrouw en Jaïrus' dochter naast elkaar stelt. En als wij haastig concluderen: 'Maar zo'n kind gaat toch voor', dan zegt Lukas: wacht even; hoe oud is dit meisje? Ongeveer twaalf jaar! En hoelang heeft deze vrouw bloed gevloeid? Twaalf jaar! Is die vrouw niet net zo doodziek als dat meisje? Des mensen bloed is zijn leven. Deze vrouw bloedt straks dood. Net zo lang als het meisje leeft, vloeit de vrouw bloed. Is er verschil? Durft u te kiezen of voorrang te verlenen? KrachtJezus neemt de tijd. Er ontstaat een gesprek over wie Hem (bewust) aangeraakt heeft. Met nadruk in het Grieks zegt Hij: 'Ik heb bekend, dat kracht van Mij uitgegaan is'. Jaïrus popelt van ongeduld, maar kan niet anders dan bij Jezus blijven en moet alles aanhoren. In de nood van een vader met een doodziek kind leert Jezus hem wat Hij doet dien die op Hem wacht. 'Ik heb bekend...' God gaat Zijn soevereine weg. En Zijn weg is zelfs in de grootste nood geheel Zijn weg: anders en hoger dan onze wegen, zoals Zijn gedachten hemelhoog zelfs boven die van een vader met een doodziek kind uitgaan. Gelooft Jaïrus? Voor zijn oren verklaart de vrouw om welke oorzaak (vs. 47) zij Jezus heeft aangeraakt. In een andere evangeliebeschrijving zegt ze bij zichzelf: 'Indien ik alleen Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden'. Door dit geloof wordt ze behouden en houdt haar kwaal op.  DochterDat alles maakt Jaïrus mee. In nog een ander opzicht stelt Jezus de vrouw naast zijn dochter. Hij spreekt die vrouw aan met 'dochter'. Als je Jaïrus vraagt: Over hoeveel dochters gaat het? dan zegt hij: Ik heb er maar één, een eniggeborene, en die moet ik als het zo doorgaat, nog afstaan aan de dood. Maar Jezus maakt in Jaïrus' bange ogen en hart plaats voor wat Hij ziet: er zijn er twéé. Jij bent het niet alleen, en jouw dochter is het niet alleen. Het lijkt hard, maar wat een les, en ook wat een verlossing wanneer de Heere ons uit ons kleine kringetje, waarin we met onze nood vastlopen, losmaakt en ons eens laat zien, hoe Hij de nood van anderen en van onszelf ziet en op waarde schat. In die les begint, zoals we volgende week zullen horen, het behoud.    
Preek over Joh. 1: 5.
Een kind is gebaat bij dagelijks terugkerende rituelen. Gewoontegedrag is de sleutel, als het gaat om het ontwikkelen van een heilzame geloofsopvoeding. Ik herinner me twee gewoonten die in mijn eigen opvoeding dagelijks praktijk waren. Allereerst het kindergebed na het grote gebed aan tafel: ‘Heere, zegen deze spijze, uit genade, om Jezus wil, amen’. Een heel eenvoudig gebed, maar dit leert het kind de kern verwoorden en tegelijkertijd hardop tot God gaan. Zowel praktiseren als oefenen. Daarnaast knielde ik voor mijn bed, terwijl mijn vader ons als ‘kleintjes’ naar bed bracht. Dit was zijn dagelijkse taak, nadat mijn moeder de hele dag als opvoeder actief was. Bij dit kindergebed klonken de bekende woorden ‘Ik ga slapen ik ben moe’. Vervolgens mochten we daar als kind een persoonlijk gebed bij uitspreken, met wat ons bezig hield. Zo oefenden wij het bidden.  Ik kan mij geen tijd herinneren dat ik dit niet deed als kind, dus ik denk dat we bij het ontwikkelen van spreken ook leerden bidden. Dus vanaf een jaar of twee drie tot de middelbare school. Rond het einde van de basisschool was het kindergebed vervangen door een vrij gebed, met een aantal coupletten van de avondzang. Ergens in die periode lieten mijn ouders het los en was het gewoontegedrag praktijk. Als tiener zal ik het best wel eens over hebben geslagen, maar nooit zonder schuldgevoel. Wie als kind leert bidden, oefent een gebedspraktijk voor het leven.  Waarom ik zoveel aandacht geef aan deze standaardgebeden? Omdat ik denk dat ze de dragers zijn voor het vrije gebed. Leer kinderen vaste rituelen, dan kun je daar later op variëren. Wie niet eerst vaste gebeden leert, heeft geen basiswoorden en praktijk om bij aan te sluiten. Aan tafel kan een kind leren om soms het ‘Onze Vader’ te bidden, een kind van een jaar of tien zal dat nog graag doen, als ze veertien jaar zijn lijken ze het weer vergeten te zijn. Het is dus van groot belang dat voor het zich ontwikkelende schaamtegevoel van de tienerjaren de belangrijke gebedslessen en rituelen zijn aangeleerd.  Leer vanaf de wieg dagelijkse rituelen aan. Zodra een kind zelf woorden kan geven aan dingen, bijvoorbeeld als vier of vijf jarige, kun je dit koppelen aan het standaardgebed. Na verloop van tijd zal als vanzelf de ruimte voor het vrije gebed ontstaan. Dit in samenhang met de eigen aard en talenten van het kind. Immers, ieder kind is anders.   Deze vraag en mijn antwoord daarop is eerder gepubliceerd in het Reformatorisch Dagblad. 
loading
Comments