Discover
Geruis Uit De Kluis
Geruis Uit De Kluis
Author: Pater Hugo
Subscribed: 2Played: 15Subscribe
Share
© Pater Hugo
Description
Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie).
www.paterhugo.nl
www.paterhugo.nl
28 Episodes
Reverse
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
Ben ik, met al mijn geleuter over de ziel en God, eigenlijk geen ordinaire flessentrekker? Hoe kan je eigenlijk weten dat ook maar iets van wat ik zeg ook maar enige basis in de werkelijkheid heeft? Is er eigenlijk wel enig verschil tussen een baardige kluizenaar op een stapel middeleeuwse geschriften en een madam op de kermis met een kristallen bol?Ik ben hier het laatste half jaar of zo een lekker potje aan het orakelen. Meestal ging het over mystieke theologie, over de directe ervaring van het Heilige door jouw eigen ziel. Maar hoe kom ik eigenlijk aan al die wijsheid? Want nogal eens zit ik met een air van zekerheid dingen te verkondigen die geen mens kan meten of bewijzen.Ik krijg dan ook best vaak opmerkingen in de trant van: ‘waar haal je het vandaan? Waar baseer je je op? Is dat geen mysterie waar je maar beter je mond over dicht kan houden?’ En, het verbaast je misschien, maar dat vind ik heel terechte vragen.Hoeveel bodem, hoeveel fundament zit er nou onder dit hele vakgebied? Waar drijven al die metafysische speculaties op, de boude beweringen over wie en wat de Grond onder de werkelijkheid is, hoe de ziel in elkaar steekt, en waar zij voor bedoeld is en waarvoor niet?Het klinkt allemaal rationeel en doordacht genoeg, maar presenteer ik hier niet stiekem een zwerm van rekensommetjes die geen serieus beginpunt hebben? Waarvan de premissen maar zo’n beetje uit een sprookjesboek zijn getrokken?Als jij een van die mensen bent die alleen het fysiek meetbare serieus kunt nemen, dan houdt het inderdaad al gelijk daar op. ‘Het beste, hè, daag!’Maar al kan ik geen harde zekerheid geven, een redelijk stevige waarschijnlijkheid is wel mogelijk. Al moet je ook daarvoor wel even dóórzetten. In eerste instantie lijkt de hele zaak hopeloos. Als de mist uiteindelijk optrekt komt dat, tegen die tijd, eigenlijk héél onverwacht.Alles wat ik hier zit te verkondigen is gebaseerd op ervaringen van mensen met wie of wat zij als God meenden te herkennen. Daar wordt de zaak al gelijk niet eenvoudiger op. Het zijn per definitie subjectieve ervaringen, gevangen in herinneringen. En de menselijke herinnering is een heel bedrieglijk vermogen. Het laat dingen weg en voegt dingen toe. Het schuift met accenten alsof het schaakstukken zijn, het verschiet en verkleurt. Dat is een probleem. En niet het enige, ook.Want ik kan die ervaringen ook nog eens niet rechtstreeks bestuderen. Ik beschik niet over een bibliotheek van glazen flessen vol herinneringen die ik zou kunnen opsnuiven of in een schaaltje gieten om eens goed te bekijken, zoals in een Harry-Potterboek. In plaats daarvan ben ik afhankelijk van wat mensen hebben verteld en opgeschreven. Van wat voor woorden ze bij elkaar hebben kunnen puzzelen om hun verschoten en verbleekte belevenissen enigszins aan mij te kunnen overdragen.Vaak gaat het dan ook nog eens om woorden die al lang niet meer worden gebruikt uit een belevingswereld die al lang niet meer bestaat. Zo houd ik mij zelf voornamelijk bezig met teksten uit het Brabant van de middeleeuwen. In het Brabants van de middeleeuwen. Dus van mensen uit een streek die de mijne niet is in een wereld die de mijne niet is die praten over dingen die sowieso al geen mens goed kan bevatten, laat staan reproduceren en verwoorden.En zegt het feit dat we ons maar steeds op die oude teksten blijven storten niet al duidelijk genoeg dat er iets geks aan de hand is? Zijn er geen modernere belevenissen om je bij deze studie op te baseren? Bij ander onderzoek over psychologische verschijnselen baseren we ons toch ook niet op een dataset uit de veertiende eeuw?Goed, dat zijn voor deze insteek wel even voldoende vragen. Ik zal ze in omgekeerde volgorde proberen te beantwoorden.We gebruiken oude getuigenissen van mystieke ervaringen omdat er zich in de late middeleeuwen een hoogtepunt van geletterdheid op dit terrein voordeed. Godservaringen zijn er overal en altijd, tot en met bij mensen die niet eens in God geloven. Maar het vermogen om zó over het onuitsprekelijke te kunnen spreken dat een ander er ook iets van kan verstaan is veel zeldzamer. Om zoiets te ontwikkelen is niet alleen een intens geestelijk leven nodig, maar ook een verfijnd technisch begrippenapparaat en zoiets als een traditie van poëtische fijngevoeligheid. Het virtuoos kunnen dansen met symbolen en metaforen. Dat bereikt geen mens op eigen kracht, zoals het domme moderne romantische idee van ‘het genie’ het altijd wil hebben. Wij hebben helaas geleerd om hoogst individuele schittering het meest te bewonderen. In de middeleeuwen hadden ze daar een broertje dood aan. Daar bouwden ze aan kathedralen in plaats van aan persoonlijke reputaties.Zo’n kathedraal kan alleen tot rijping komen als individuele mensen zich generaties lang dienstbaar kunnen maken aan een project dat groter is dan henzelf, en dat ze zelfs bij leven niet eens áf zullen zien. Uit idealisme in plaats van uit persoonlijke ambitie.Zo is het ook precies met de taal van de Godservaring. Mensen konden er in die tijd tevreden mee zijn om generatie op generatie steeds maar door te blijven schaven aan een traditie, aan een school, aan iets dat groter was dan zij zelf. Daardoor ontstonden er ‘kathedralen van taal’ die tegenwoordig nooit meer rijp zouden zijn geworden.Een van de meest gelukte van die taalkathedralen is de Zuid-Nederlandse mystiek van tussen de twaalfde en de zestiende eeuw. Die kon groeien omdat er duidelijk ruimte voor was, we begrijpen niet helemaal goed waarom nou net daar. In het beginstadium ontkiemde deze vorm van mystiek vooral bij devote vrouwen, zowel bij zusters als bij een soort vrijgevochten godgewijde maagden, de begijnen. In de veertiende eeuw werd zij briljant gesystematiseerd door Jan van Ruusbroec. Als hij niet in het Nederlands, maar in het Latijn zou hebben geschreven zou hij nu bekend hebben gestaan als de Thomas van Aquino van de mystiek, waarschijnlijk. Als degene met alle antwoorden op alle dingen. Misschien toch maar goed dat hij in het Nederlands heeft geschreven, en niet in het Latijn.Hoe dan ook hebben we zijn taal en zijn begrippenapparaat ook nu nog hard nodig. Want wat er na hem kwam was in eerste instantie voor een groot deel op hem gebaseerd, zoals wat er in Frankrijk en Spanje in de barok ontstond. Maar wel duidelijk van mindere kwaliteit. Veel pretentieuzer, warriger en ingewikkelder, en ook vaker afgeleid door sensationele bijverschijnselen.Daarna kwam de achttiende eeuw, waarin mensen sowieso meer bezig waren met meten dan met verstaan. In de negentiende eeuw kwam daar weer een reactie op, maar die verloor zich in wat ik daarnet als even heb aangestipt: de aanbidding van het individuele, hoogstpersoonlijke, uiterst bijzondere.Dat heeft kostbare schatten opgeleverd, maar weinig wat je kunt toepassen op wat normale, alledaagse christenen in hun innerlijk van Gods aanwezigheid ervaren. Daarom blijft van alle brillen die mij gegeven zijn de veertiende-eeuwse nog steeds het scherpste beeld geven.Maar klopt er ook maar iets van dat beeld? Want daar ging het nou net over. Zoals ik al zei: een hard bewijs in de moderne zin ga je niet krijgen, maar er is wel iets dat mij persoonlijk er alle vertrouwen in geeft. En dat is de enorme berg overeenkomsten tussen dit soort ervaringen en de teksten daarover uit de meest uiteenlopende momenten en culturen. Soms tot op de meest verfijnde details.Het ligt niet voor de hand dat de Indiase mysticus Adi Shankara uit de achtste eeuw veel Augustinus had gelezen. Toch komt hij met begrippen die naadloos passen op hoe Augustinus de structuur van de ziel voor zich zag. Ik beweer niet dat hun ideeën hetzelfde waren - dat zou kinderachtig zijn. Ze opereerden zelfs met totaal verschillende wereldbeelden in het achterhoofd. Shankara met het idee dat alles één is en alle verschillen maar illusies zijn. Dat het leven een cyclus is die zich eindeloos herhaalt. Augustinus met het idee dat afzonderlijke dingen - en vooral personen - er maar al te zeer toe doen en ook een bestemming hebben. Maar op micro-niveau passen de onderdelen die ze onderscheiden in de werkelijkheid en vooral in de menselijke ziel, vrijwel naadloos in elkaars systeem. Als er een schroefje of een lagertje in Shankara’s brommer kapot gaat kan hij er zonder problemen een reserve-exemplaar van Augustinus inschroeven.Dat komt omdat ze beiden niet zomaar speculatief zaten te fantaseren, maar zich baseerden op het heel intens beleven en observeren van hun eigen innerlijk. En wat God daar allemaal in uitspookte.En zo gaat het steeds. De meeste geestelijke tradities van de mensheid hebben twee gezichten. Een aspect dat we ‘mythologisch’ of ‘dogmatisch’ of ‘systematisch’ noemen. Dat is een in symbolen gevatte vertelling over hoe de wereld en God of de goden zijn, hoe ze zo geworden zijn en hoe ze ooit eens zullen zijn. En hoe de mensen daar in passen. Dat geheel noemen we ook wel ‘exoterisch,’ vrij vertaald ‘buitenkanterig.’ Voor iedereen onmiddellijk zichtbaar.Niet alle, maar wel veel religieuze culturen hebben daarnaast ook een gezicht dat we van oudsher ‘esoterisch’ noemen, zeg maar ‘binnenkanterig,’ ‘innerlijk.’ Daarmee bedoelen we dat een deel van de aanhangers van die traditie zich bezig houden met het observeren en verwoorden en delen van hun meest directe godsontmoetingen. Het woord ‘esoterisch’ heeft bij ons een heel rare bijklank gekregen omdat het sinds de jaren zestig vooral wordt geassocieerd met de meer fantastische randjes van de traditie. De ‘stoute,’ ‘verboden’ randjes vooral. Heksen en waarzeggerij en wichelroedelopen en zo. Daarom gebruik ik zelf liever ‘mystiek’ of ‘contemplatief.’ Dat zijn beide min of meer synoniemen.Hoe dan ook is dat het deel van de religieuze kennis dat rechtstreeks op ervaring, ontmoeting, beleving steunt. En dus ook alle grenzen tussen religieuze systemen met voeten treedt.De eenvoudigste verklaring daarvoor is dat mystici met vergelijkbare bevindingen komen omdat ze met dezelfde werkelijkheid in contact treden. Wereldbeelden verschillen, smaken en
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
Hoe koester je God?Stel je voor: een archeoloog zoekt al jaren in de Pyreneeën naar een geheimzinnig heiligdom waar de Heilige Graal verstopt zou moeten zijn: de kelk die Jezus gebruikte bij het laatste Avondmaal. Al die tijd heeft hij niks gevonden, maar nu is er hoop in zijn hart.In de crypte van een vervallen kapel op een bergtop heeft hij een zware deksteen van rode zandsteen laten lichten. Die bleek een schacht met een wenteltrap te verbergen. De archeoloog daalt langs die trap af naar de geheimzinnige diepten. Hij komt uit in een doolhof van flamboyante gotische galerijen, bont beschilderd met taferelen uit de graallegenden over koning Arthur en de koene ridders Galahad en Parcival.Die worden flakkerend verlicht door brandende toortsen aan de muren. Woont hier iemand die die toortsen aan heeft gestoken? Hij ziet geen mens. Hij huivert. Behoedzaam dringt hij steeds verder en verder binnen in dit wonderlijke oord. Uiteindelijk vindt hij een enorme poort van zilver, vol nissen met heiligen met gouden stralenkransen. Hij duwt er tegenaan. Ze moeten wel loodzwaar zijn, maar toch draaien ze geruisloos open, met een zucht, als van een kluisdeur.Voor hem strekt zich het heilige der heiligen uit, met gewelven zo hoog dat ze boven zijn hoofd in een lazuurblauwe schemering lijken te verdwijnen. In de verte ziet hij een altaar met een schrijn in de vorm van een toren, waar een zacht licht uit straalt. Met knikkende knieën loopt hij verder. En ziet dan dit...(intro)Religie is er om een ruimte aan te bieden waarin mensen tot de ontmoeting met God kunnen komen, en ín God met elkaar. Dat doet religie door op heilige plaatsen op heilige momenten heilige handelingen te stellen. Voor zover we kunnen overzien is dit alles een merkwaardig, maar noodzakelijk element van een gezonde samenleving. Niet alleen is het verschijnsel religie zo goed als universeel maar ook worden er vrijwel consequent veel geld, middelen, gebouwen en mensen in geïnvesteerd. Onze postmoderne, westerse samenleving is de enige echte uitzondering, maar daarover later meer.Het resultaat van al die moeite manifesteert zich in de vorm van momenten in het mensenleven dat alles wat seculier is, al het tijdelijke, met andere woorden, heel de strijd om het bestaan, de dagelijkse dingen, de zorgen en problemen, de begeerten en ambities, conflicten en verwijten, even tot zwijgen komen. Nou vinden mensen het heel moeilijk die dingen los te laten, al is het maar voor een ogenblik. Om dat mogelijk te maken is alleen de meest oprechte ernst afdoende.We zoeken daar immers de Absolute, de grond onder de werkelijkheid zelf. Nou wil de ironie dat juist het meest ontzagwekkende ook het meest kwetsbare is. Het fluistert in plaats van te schreeuwen, het uit zich als het suizen van een zachte bries. Het is, met andere woorden, alleen waarneembaar en verstaanbaar als meer lawaaierige elementen worden geweerd.Ik bedoel dat niet alleen letterlijk, in de vorm van geluid, maar ook visueel, sociaal, psychologisch en dan vergeet ik vast ook nog wel een paar aspecten meer. Al die dingen kunnen, als ze op het verkeerde moment of in de verkeerde combinatie het heiligdom binnengebracht worden, de sacrale spanning breken die het religieuze ritueel zijn geloofwaardigheid geeft. Daar is maar heel weinig voor nodig en de gevolgen zijn onmiddellijk dodelijk. Als het verkeerd gaat kan iedereen eigenlijk wel gewoon naar huis.Sterker nog: het is maar beter dat iedereen dat dan ook doet, want bedorven religie is een bijzonder giftige substantie voor de ziel. Het bederf van het beste geeft het allerslechtste, zei de heilige Augustinus al in de vierde eeuw of zo. Vergelijk het maar met een restaurantkeuken vol ratten, schimmel en kotsende koks.Sacrale hygiëne is wat ons tegenwoordig nogal eens ontbreekt. Het onvermogen om het profane te scheiden van het heilige.En dat terwijl het niet zo heel moeilijk is zodra je weet waar het probleem zit. Het enige wat nodig is, is onbeschaamde eerbied. Je niet schamen het heilige te eerbiedigen. Durven te knielen, durven ontzag te hebben. Zonder ironie. Naakt voor God te staan en dat uit te houden. De meest uiterste Realiteit te herkennen en te erkennen. En die - in het heiligdom - op geen enkele manier te relativeren. Als iets in strijd voelt met de wijding van die plaats is het waarschijnlijk ook in strijd met de wijding van die plaats.Vaak is het verschil tussen de twee categorieën sterk cultureel bepaald. Bij ons in het westen wordt het heilige bij uitstek geassocieerd met het oude, het verstilde, het trage en het natuurlijke. Dat is voor sommige postmoderne dramkousen een reden om er juist de hele tijd met platvoeten doorheen te willen banjeren. Maar dit soort associaties veranderen maar heel traag, en hebben met inclusiviteit of uitsluiting niks te maken. Als je ze niet respecteert heeft de Kerk geen enkele zin meer. De heilige zal er zich objectief nog wel manifesteren, maar op een manier die niet subjectief te ervaren is door de mensen voor wie het bedoeld is.Nou verwachten jullie natuurlijk van mij een vurig pleidooi voor een zo snel mogelijke terugkeer naar de traditionele Latijnse Mis. En het klopt wel dat ik iets in die richting uiteindelijk verstandig zou vinden. Maar wat ik vind doet er niet zoveel toe. De meesten van ons mogen dat helemaal niet, kunnen dat ook niet en er zijn er ook nog best veel die het ook niet zouden willen, vooral de oudjes niet. En oudjes hebben ook een ziel.Prima. Maar werk er dan omheen. Want zoals het de afgelopen zestig jaar is gegaan kan het echt niet langer. Dat is mensen hun broodnodige religieuze behoeften onthouden.Als jij verantwoordelijk bent voor de liturgie is je enige taak de mensen met God te laten communiceren, in alle betekenissen van dat woord. Zorg dan dat je leidingen niet verstopt zitten met braggel die nergens voor nodig is en je bestaan tot dat van een loodgieter zonder waterpomptang degradeert.En wat is die braggel dan zoal?Lach me maar uit, maar ik gebruik daarvoor de Indiana Jonestest. Het is om je rot te schamen dat Steven Spielberg duidelijk beter weet hoe je het heilige kan laten beklijven dan veel priesters, maar daar kan ik ook niks aan doen.Dus: stel je voor: Indiana Jones heeft in een grottenstelsel achter een waterval een exotisch heiligdom ontdekt. Daar ergens zou het astrale amulet van troeliepoelie moeten rusten op een met geheimzinnigheid omringd altaar.Welnu: alles wat in die film bij de bioscoopgangers het opschorten van het ongeloof zou kunnen verstoren heeft ook geen plaats in de kerk. De naam Troeliepoelie is dus alvast niet goed. Net als go-zondag, startzondag, Night-Fever en ga zo maar verder.Ook is de muziek van doorslaggevend belang. Als er naast de omineuze talisman twee afgodische priesters met kettingen van schedels zitten die uit volle borst oubollige liedjes met onoprechte teksten zitten te kwelen met een gitaar wordt de film geen kaskraker.Als het grootste deel van de ceremonie uit praten en voorlezen en dan nog meer praten bestaat komt het niet goed. Zo ook als de orakels van Oetsiepoetsie voor het altaar van Troeliepoelie worden voorgelezen door een vrijwilligster in een roze legging die niet weet waar de klemtonen horen te liggen en bovendien alle onheilsdreigingen van een lieflijke kleuterjuffrouwencadans voorziet.Als er een vlag naast het altaar staat die oproept tot donaties en die ook nog eens een zo zakelijk mogelijk ontwerp heeft flopt het hele spul ongenadig. Natuurlijk is het hartstikke belangrijk dat de mensen solidair zijn met hun heiligdommen. Natuurlijk moeten die afgodische priesters eten en af en toe een nieuwe schedelketting. Ook is het fijn als de grot wordt schoongemaakt en, als het moet, wordt gestut zodat hij niet boven het hoofd van de afgodische priesters in elkaar stort.Maar dan nog: die vlag hoort niet in het heiligdom, maar in het bezoekerscentrum aan het begin van het pad dat naar de grot leidt. Hetzelfde geldt voor kindertekeningen en tentoonstellingen over de sokkenbrei-acties voor de bevroren tenen in Fins-Lapland.Als er te zien is dat een schoonmaker fluitend vlak voor het altaar van Troeliepoelie langsloopt en onder het stofzuigen even zijn bril erop legt is het magische moment voorbij. Überhaupt is het respecteren van taboes belangrijk als het gaat om het heilige. ‘Doe je schoenen uit, want deze plaats is heilig,’ zij God tegen Mozes. Daarom helpt het als echt niemand op het priesterkoor is die daar niet persé moet zijn. En dan nog het liefst in liturgische kleding.En even voor de helderheid: dat alles oplossen hoeft niet duur of extreem ingewikkeld te zijn. Het is vaak eerder een kwestie van weglaten dan van toevoegen. Van opruimen dan van opdirken. Ik ben zelf toevallig van de barok en de overdaad, maar dat kost heel veel tijd en gedoe om precies goed te krijgen. Precies de andere kant op werkt ook. Tenzij je een plaats van volksdevotie beheert, zoals een plaatselijk bedevaartsoord of zo, maar dat is een vak apart dat we hier nu maar even zullen laten voor wat het is.Het toverwoord is hygiëne. Het heilige is een eigen categorie die geen vermenging met andere verdraagt, anders gaat het onmiddellijk bescheiden aan de kant en wordt onzichtbaar.Dus: roept iets de sfeer op van zakelijkheid, politiek, huiselijke gezelligheid of therapeutische afstandelijkheid? Dan moet het uit de buurt van het altaar gehouden worden. Is iets ontworpen alsof het met commercie te maken heeft, dus roep het associaties op met het bedrijfsleven? Nee!Berucht was op een gegeven moment het nieuwe schepje waarmee je in Houthem zand uit het graf van de heilige Gerlachus kunt scheppen. Dat was, waarschijnlijk door een reclamebureau, zo gelikt herontworpen dat het de gewijde sfeer in de war stuurde. Soms kun je het ook juist uit liefde te goed je best doen. Roept iets de basisschool of de tennisclub in herinnering? Nee! Allemaal prima dingen, maar niet hier en nu. Heeft het de sfeer van entertainment over zich? Nee!Een mens kan niet schakelen van atmosfeer zonder dat da
Het gebeurt op een dag, dat Jezus in Bethanië is, in het huis van Simon de melaatse. Er verschijnt een vrouw met een albasten flesje pure nardusbalsem dat driehonderd denarieën waard is - zeg maar dertigduizend euro naar de huidige maatstaven. Ze breekt dat flesje open en giet het uit over Jezus’ hoofd. De leerlingen worden woedend. Hoeveel armen hadden met dat geld wel niet geholpen kunnen worden? Maar Jezus reageert onverwacht. Hij zegt: zij heeft een goed werk aan mij gedaan. De armen hebben jullie immers altijd bij jullie, maar mij hebben jullie niet altijd bij jullie.Een idioot verhaal en een vervelende man, die Jezus, zijn wij geneigd te denken. Hij doet hier haast wat denken aan een van die sekteleiders die zich wentelen in luxe en de idolate verering van hun slachtoffers. Maar als wij zo denken zou dat wel eens kunnen komen omdat wij zelf vervreemd zijn van een essentieel onderdeel van ons menszijn. In de vorige twee afleveringen hebben wij nagedacht over wat godsdienst eigenlijk is, en de conclusie getrokken dat een religie waarschijnlijk in essentie samenvalt met haar rituele doen en laten.Maar wat is nou eigenlijk het concrete effect van die rare handelingen? Is het pure verspilling van middelen en zelfs mensen, of doet het wel degelijk iets? Wat krijgen wij terug voor de kostbare nardusbalsem die wij uitgieten over het hoofd van God? Daarover gaat het vandaag.(intro)Het is mijn persoonlijke overtuiging dat menselijke samenlevingen altijd gefundeerd zijn op een dragende godsdienst, en de essentie van die godsdienst is het ritueel. Als het ritueel niet meer gerespecteerd wordt of zelfs helemaal stilvalt vervliegen ook de leerstellingen en de normen en waarden van de religie en daarmee van de hele maatschappij die op die religie was gebaseerd. Die begint vanaf dat moment dan ook uit elkaar te vallen.Ik denk er al heel lang zo over, en word ook mijn hele leven al steeds weer in die overtuiging bevestigd door wat ik om mij heen zie gebeuren. Wij kennen de symptomen ervan allemaal, want wij leven er elke dag mee. Ik heb het over al deze dingen trouwens ook al uitgebreid gehad in de vorige twee afleveringen van deze serie. Mocht je die nog willen bekijken, dan staan er links in de beschrijving hieronder.Maar toch, wat doen religieuze rituelen nou eigenlijk concreet? Het doopsel mag dan een wassing zijn: als anti-bacteriële maatregel stelt het niet veel voor. Het heilig Misoffer mag dan wel een maaltijd zijn, maar je dagelijkse portie calorieën zal je er niet uit kunnen halen. Met andere woorden: alles wat je materieel van een religie kunt zien en vastpakken is schijnbaar ondoelmatige verspilling. Verloren moeite en tijd. Van de dure gebouwen, de offers en de geïnvesteerde tijd is er weinig tot geen tastbaar rendement te verwachten. Toch speelt het hele gedoe op de een of andere manier een cruciale rol bij het instandhouden van samenlevingen, maar hoe? Wat is nou eigenlijk puur technisch het gevolg van een ritueel? Wat doet het?We hebben al gezien dat culturele antropologen en godsdienstsociologen of hoe dat volkje zich op een zeker moment ook maar mag noemen de grootste moeite heeft met definiëren van wat religie eigenlijk is. Met het interpreteren van religieuze rituelen loopt het nog veel verder uit de hand. Dat komt omdat de academische godsdienstwetenschappen allesbehalve waardenvrij zijn ontstaan en opgebouwd. Het voert een beetje te ver om de hele geschiedenis hier uit de doeken te doen. Mocht je willen weten hoe die wereld tikt, dan kan ik je van harte aanbevelen het werkje ‘Denken over religie’ van Valeer Neckebrouck eens door te nemen. Dat is heel toegankelijk geschreven en leest eigenlijk als een thriller.In grote lijnen zou je kunnen zeggen dat er een touwtrekwedstrijd is geweest tussen twee soorten godsdienstonderzoekers.Aan de ene kant stonden geleerden die stiekem romantici waren. Zij droomden over oerreligies en archetypen en moedergodinnen en zo. Zij waren ook geneigd aan religie een grote zelfstandige waarde toe te kennen.Aan de andere kant stonden geleerden die stiekem politici waren en meer droomden over het betrappen en uiteindelijk slopen van machtsstructuren. Zij zagen religie bovendien meestal louter functioneel, als een sociaal instrument.Bijna niemand in dit hele proces had trouwens veel achting voor het moderne Europese christendom, en dat werd er niet beter op toen marxistisch-achtige ideeën een steeds grotere rol in álle menswetenschappen gingen spelen. Als je dus in het nieuws of zo hoort over zogenaamd ‘wetenschappelijk onderzoeken’ naar religie, bijvoorbeeld naar het secularisatieproces, dan weet je dat je niet zit te kijken naar de droge observaties van feiten. Er is in de wereld van de sociologie eigenlijk geen serieuze academische distantie, al het gescherm met statistiek en kwantitatief onderzoek ten spijt. Ook die kleuren zich immers makkelijk aan de hand van de smaak van de onderzoeker door de precieze vragen die hij stelt of juist angstvallig vermijdt.Goed, laten we evengoed de conclusies van de beroemdste van die figuren maar even snel de revue laten passeren, zodat we een idee krijgen van de sfeer. Ze lijken in eerste instantie interessanter dan ze in feite zijn, dus we doen dit even zak zak allez-hoppe.We beginnen natuurlijk in de negentiende eeuw. Toen zagen figuren als Tylor, Frazer en Malinowski, allemaal vroege antropologen, religieuze rituelen nog voornamelijk als futiele pogingen van het magische denken om de natuurkrachten te beïnvloeden. Beheersing te krijgen over de onbeheersbare bedreigingen van het leven. Een beetje zoals moderne huiskameratheïstische verjaardagsfeestjesorakels er tegenaan kijken.Iets later, in de eerste helft van de twintigste eeuw, verschijnen er antropologen als Arnold van Gennep en Victor Turner. Zij zien godsdienstige rituelen vooral als rites de passage, overgangsrituelen: door ceremoniële transformaties door te maken krijg jij als individu een andere positie in de gemeenschap. Daardoor ga jij je meer met het collectief identificeren en dat wint dan weer aan betekenis, hechtheid en stabiliteit.Verder ontsnappen we ook deze aflevering natuurlijk weer niet aan Émile Durkheim met zijn idee dat de religie - en dus ook het ritueel - een projectie van de samenleving zelf is. God is, volgens hem, de maatschappij die zichzelf viert en zich daardoor bevestigt en versterkt. Denk maar aan hooligans die ‘we are the champions’ zingen. Zoiets.Iemand die bekend staat als gematigd, maar stiekem waarschijnlijk de meest cynische grapjas van het hele stel is, is Clifford Geertz. Hij ziet de rituelen van een religie als niks anders dan de trukendoos die het wereldbeeld van die godsdienst zo écht laat lijken. Rituelen zijn volgens hem georkestreerde belevingen die een religieus systeem de illusie van tastbaarheid, zichtbaarheid en geloofwaardigheid moeten geven. Het lijkt er trouwens niet op dat Clifford Geertz ooit echt tot de beleving van een religieus ritueel is doorgedrongen, maar dat terzijde.Dan gaan we nog even naar Peter Berger. Dat is misschien dan weer de meest zinnige denker uit deze richting. Hij ziet religieus ritueel als een ordenend systeem dat de bestaande werkelijkheid - die van zichzelf chaotisch en betekenisloos is - zin en structuur moet geven. Bij Berger zet je je door rituelen te voltrekken in feite een bril op de neus die een soort duidend raster over de wereld legt. Die verandert daardoor wel niet objectief, maar wordt voor de mens wel veel beter te navigeren zonder in paniek te raken.Je merkt wel dat ik tot nu toe alleen denkers heb behandeld die religieuze rituelen reductionistisch functionalistisch interpreteren. Ze reduceren religie tot een instrument van de maatschappelijke orde, tot een onderdeel van de machtsstructuur in samenlevingen.Niemand van al deze figuren ziet religie als een zelfstandig aspect van het menselijke leven, laat staan als de geestelijke wortel ervan. Natuurlijk zijn er ook geleerden geweest die daar heel anders tegenaan keken.De eerste daarvan was, in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, Rudolf Otto. Hij definieerde ‘het heilige’ als een onuitsprekelijk fenomeen dat eigenlijk door elke mens weleens wordt ervaren. Het is tegelijk heel aantrekkelijk maar ook héél angstwekkend. Hij noemt het dan ook het ‘mysterium tremendum et fascinans,’ het vreeswekkende en fascinerende mysterie. De mens zoekt ernaar en verlangt ernaar, maar schrikt er tegelijk voor terug. Het wordt door de mens gekoesterd maar ook met taboes omgeven.Hij beschreef religieuze rituelen als het instrumentarium dat de mens ontwikkelt om met dat heilige om te gaan. Misschien nog wel zijn meest blijvende bijdrage aan het denken over religie is de uitvinding van het woord ‘numineus’ en ‘het numineuze.’ Dat betekent bijna hetzelfde als ‘het heilige,’ maar dan in de ruwere, oudere, minder opgepoetste variant, ontdaan van zijn ethische component.Verwant daaraan is het denken van de Nederlandse godsdiensthistoricus Gerardus van der Leeuw. Hij nam het idee van ‘het heilige’ in feite van Otto over, maar noemde het ‘de macht.’ Daarmee bedoelde hij niet een projectie van sociale of politieke macht, maar een reëel ervaren, overweldigende werkelijkheid die de mens treft, aanspreekt en voor zich opeist. Het uitvoeren van rituelen is bij hem een écht deelnemen aan die macht. Het offer is een échte overgave, het gebed een écht aanroepen en het stellen van sacrale handelingen stelt de Macht écht tegenwoordig.De twee schoolmakende academische denkers die het meeste respect hadden voor religieuze tradities waren waarschijnlijk wel Carl Gustav Jung en Mircea Eliade. Dat ging zo ver dat ze beiden, waarschijnlijk juist daardoor, wat in de berm van het wetenschappelijke onderzoek zijn beland. Het zijn bijna zelf meer religieuze dan wetenschappelijke denkers.Allereerst is daar de psycholoog Jung. Voor hem drukken rituelen innerlijke processen uit. Ze werken alleen door ze uit te voeren, niet door ze te begrijpen. Ze leggen een verbinding tussen je
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
Wat is religie? Daarover heb ik hier al het een en ander gezegd. Heb je dat nou nog niet gezien, dan vind je dat hierboven of hiernaast en ook nog eens in de beschrijving. Vandaag borduur ik daarop voort. Ik benader het fenomeen even niet theologisch, maar eerder antropologisch. Een klein beetje afstand doet soms wonderen voor de helderheid.Religie valt volgens mij ten diepste samen met haar ritueel. Zij heeft natuurlijk nog een hele hoop andere aspecten, maar die bloeien volgens mij op uit het ritueel en blijven afhankelijk van het ritueel. Vergelijk het maar met een zangstem uit de radio. Als je de stekker eruit trekt stopt het liedje midden in een zin. Zo is ook de religie dood zodra zij niet meer ritueel wordt uitgevoerd of wanneer haar rituelen niet meer serieus wordt genomen.In 394 dwong de fanatiek christelijke keizer Theodosius de Vestaalse maagden om hun heilige haardvuur te doven. Op hetzelfde moment veranderde de godin Vesta van een godin in een herinnering. Net zo werd op een dag de orakelpriesteres van Delphi van de driepoot getrokken waarop zij altijd boven de vulkanische dampen had gehangen. Op die dag stierf niet alleen de stem van haar voorspellingen, maar loste ook de god Apollo met dampen en al in de lucht op. Hij veranderde van een levende werkelijkheid in een cultureel symbool.Priesters en aanverwante religieuze bedienaars worden in de antropologie niet voor niets ‘rituele specialisten’ genoemd. Hun identiteit en vooral ook hun autoriteit ontlenen ze niet aan de verhalen die ze vertellen of de regels die ze stellen, laat staan aan hun eigen wijsheid, maar alleen en louter uit het ritueel dat ze voltrekken.Dat ritueel heeft veel meer om het lijf dan er op het eerste gezicht aan af te zien is. Het lijkt meer op een organisme dan op een menselijke constructie. De priesters bedenken het niet en maken het niet maar ontvangen het uit de traditie: ze zijn er niet zomaar meester over. Zodra ze er zodanig aan gaan sleutelen dat het als mensenwerk ervaren kan worden valt de vervoering dood en wordt het ritueel een plichtpleging.Als zo’n kunstmatig ingrijpen in het ritueel universeel worden opgelegd of ingevoerd, en als de priesters daarin verharden, dan begint hun godsdienst af te sterven en daarmee tegelijk ook hun autoriteit. Dus ook de autoriteit die ze nodig hebben om hun fout eventueel nog te herstellen. Mochten ze dat nog willen dan moeten ze snel zijn, anders hebben ze hun religie per ongeluk per decreet opgeheven.Of ze wijs zijn of niet en of ze een goed verhaal vertellen of niet doet er dan plotseling nauwelijks nog toe: er blijft van hun traditie niets over dan een schim waar mensen uit gewoonte en nostalgie misschien nog een tijdje aan meedoen, maar waar ze zich niet meer aan gebonden voelen en waaraan ze ook geen fundamenteel houvast meer vinden. Dat kan nooit langer dan één generatie vol te houden zijn.Ritueel is in een religie nucleair - in de beide betekenissen van dat woord. Ten eerste omdat het de nucleus, het dragende middelpunt ervan uitmaakt. Je kunt verhalen vertellen en regels stellen, maar die zijn op zichzelf nooit langdurig genoeg overtuigend om een samenleving te dragen. Mensen hebben weliswaar verstand, maar dat maakt ze nog geen rationele wezens. Mensen zijn in eerste instantie affectief, in tweede instantie gevoelswezens en pas daarna denken ze misschien af en toe ook nog wel eens na.Dus als jij een verhaal te vertellen hebt, een openbaring of een wet, dan zal die pas overtuigen als hij bezield is en als ook anderen dan jijzelf werkelijk contact kunnen maken met die ziel. Daarvoor zal alleen taal nooit genoeg zijn. Ten eerste omdat zelfs de beste gedichten en verhalen onverdraaglijk worden als je ze maar vaak genoeg hoort. Ten tweede omdat taal een veel grover instrument is dan veel mensen denken. Het meest wezenlijke van het leven kun je er niet in uitdrukken. Waarom je van iemand houdt, bijvoorbeeld. Ten derde omdat taal leeft en dus voortdurend verandert. Wat vandaag indrukwekkend klinkt werkt over een jaar of dertig in het beste geval nog aandoenlijk, maar meestal alleen nog potsierlijk.Ook kan taal liegen. De enige manier waarop je zeker kan weten dat je niet voor de gek wordt gehouden is wanneer je zelf rechtstreeks in gemeenschap kan treden met wie of wat die taal bezielt. Als je het bewustzijn van degene die tegen je spreekt kunt proeven of meebeleven. Zoiets is onmogelijk met alleen woorden of beelden tot stand te brengen. Dat kan alleen op de extatische manier die we sacramenteel noemen, en die wordt door riten bewerkt. Daarom draagt het ritueel de leer en de ethiek, en niet andersom.Als ik luister naar een verhaal uit het Evangelie weet ik niet of het waar is. Het is wel oud en eerbiedwaardig, maar dat zijn de verhalen over Apollo en Vesta ook. Het is wel ontroerend, maar dat is het verhaal over het meisje met de zwavelstokjes ook. Er worden wel heel verstandige dingen in gezegd, maar dat doen de dialogen van Plato ook. Pas op het moment dat ik het altaar nader en zie dat daar God zich laat slachten en zich te eten geeft aan mij, omdat Hij met heel zijn wezen wil dat ik leef, wordt dit verhaal ineens een heel ander verhaal. Het ritueel kan mij niet meer bedriegen omdat het mij laat deelnemen aan zijn ziel.Maar dat maakt het ritueel ook nucleair in de andere betekenis van het woord: gevaarlijk en alverwoestend als het wordt misbruikt. Je kunt er een cultuur of samenleving - een leefwereld - mee verlichten en voeden en verwarmen, maar je kunt diezelfde wereld er ook volkomen mee vernietigen. De goddelijke vonk ervan kan weliswaar zelf niet bedriegen, want die is wat zij is. Maar ze kan wel worden vervalst.Ten eerste kan zij worden gesuggereerd waar zij in werkelijkheid niet brandt.Bijvoorbeeld als politici of grote bedrijven echo’s van het ritueel gebruiken om zichzelf of hun producten met een afgodische afglans op te tuigen. De hoogmis van het Apple-event en de epische muziek die klinkt als op een partijcongres de lijsttrekker verschijnt. Natuurlijk duurt een dergelijke illusie nooit lang, en wordt bovendien bijna altijd afgestraft, uiteindelijk. De vervalsers kunnen namelijk nooit voldoen aan de verwachtingen die door dergelijk gedrag worden gewekt.Erger is het wanneer niet de suggestie van het heilige wordt vervalst, maar het heilige zelf. Dat gebeurt wanneer de bedienaars ervan overmoedig worden en denken dat ze het heilige naar hun eigen smaak kunnen herscheppen, minder primitief maken, logischer, meer bij de tijd.Zij lijken op tuinlieden die alle takken van een kromme appelboom zagen en ze er daarna recht weer aanschroeven. En er dan verbaasd over zijn als hij in het voorjaar geen bloesem meer zet.Zij lijken op een onnozel meisje dat trouwt met een jongen die ze niet bemint zoals hij is, maar die ze denkt nog wel te kunnen veranderen. Dat draait op scheiding uit. Of op het verdwijnen van God uit het ritueel, in dit geval.Dat is een absolute ramp voor iedereen die zich daarin heeft geïnvesteerd. Want het ritueel is niet alleen nucleair voor de religie, maar de religie is weer nucleair voor de individuele gelovigen en uiteindelijk voor de samenleving die erop is gebaseerd. Want elke samenleving is uiteindelijk religieus gefundeerd, steunt ergens diep in de fundamenten op het Absolute. Zonder dat is nu eenmaal geen mens in staat zijn individuele en tijdelijke belangen en zorgen en vooral zijn eigen wil lang genoeg op te schorten om zich te voegen naar een gezamenlijk bestaan. Niet voor niks zeggen de vadertjes van het Tweede Vaticaanse Concilie in hun document over de Kerk: “Door deel te nemen aan het Eucharistisch Offer, bron en hoogtepunt van heel het christelijk leven, dragen zij het goddelijk Slachtoffer en met dit offer ook zichzelf, aan God op.” Dat gezamenlijke zijn moet een gezicht hebben dat het louter menselijke te boven gaat. Moet groter zijn dan een charismatische leider die er eventjes is en dan weer verdwijnt. Moet ook groter zijn dan een logische afspraak of een rationele filosofie. Want die zijn nu eenmaal zonder overstijgend fundament voor mensen niet uit te houden. En dan mankeert het ze aan identiteit en zelfvertrouwen en dat is een toestand die verwoestende uitbarstingen van onzekerheid voortbrengt.Onze voorouders wisten dit alles veel beter dan wij en waren allesbehalve gek toen ze hun bloed, zweet, tranen en centen investeerden in hun kerken en kathedralen. De toeristen die erin samendrommen hebben geen flauw benul dat heel die stenen symfonie draait om het opdragen van de Mis. Dat komt waarschijnlijk ook omdat die Mis niet veel indruk meer maakt. Ze werkt nogal eens als die rechtgezaagde appelboom waar ik het daarnet al even over had. Het paradoxale is, dat juist alle pogingen om haar toegankelijker te maken haar onverstaanbaar hebben gemaakt. Zó zakelijk en rationeel, zo verbaal en vol met lappen tekst dat alleen theologische experts er het wonder nog in kunnen onderscheiden. Anderen zien meestal een wat verveelde meneer in een gifgroene poncho die achter een keukentafel eindeloos staat te praten en op een gegeven moment even met een koekje zwaait. Dat alles terwijl de vijf mensen die voor de keukentafel zitten halfhartig oubollige teksten zingen op Poolse volksmelodietjes.Menselijkerwijs is de zaak hiermee verloren, en dus onze cultuur en onze leefwereld ook. Zonder Mis is zal er al snel geen westen meer zijn. De scheuren en spleten openbaren zich al overal. Het is de vraag of we daar wanhopig van moeten worden. Misschien is onze God gewoon moe en wil Hij naar bed. Om morgen, nieuw, weer op te staan.Of is dat helemaal nergens voor nodig en zetten we gewoon door? Beginnen we weer met onze cultus serieus te nemen, en daarmee ook onze kunst, onze muziek, onze literatuur en onze manieren? Niet om ze af te schermen en er anderen mee te slaan, even voor de helderheid, maar om gedeeld en gevierd te worden. Volgens mij kan dat nog steeds. Maar als we dat willen moeten we wel een gedegen en principieel antwoord hebben op de volgende vragen: M
Er zijn van die vormen van zogenaamd christendom die je het liefst gisteren nog zou zien verdwijnen. Dat dacht burgemeester Hoes van Tilburg deze week nou ook. Hij hoorde dat de Frontrunners een dienst in zijn stad wilden houden. De Frontrunners zijn een club van van die typische fastfoodprotestanten Amerikaanse stijl die beweren met gebed mensen te kunnen genezen van allerlei ziekten. En ook van autisme en homoseksualiteit, klaarblijkelijk. Echt lekkere types. Gods onkruid, zullen we maar zeggen.Burgemeester Hoes had daar dan ook allemaal niet zo’n zin in, en meende een trucje te kunnen uithalen om die rare groep te weren. Het gebouw dat zij zouden gebruiken voor hun zogenaamde kerkdienst was geen officiële kerk maar een buurtcentrum met zalen. In het bestemmingsplan van een gemeente heeft zo’n gebouw een andere status dan een kerk. Ook waren voor de dienst kaarten verstrekt, zij het gratis, maar toch deed dit alles de burgemeester besluiten dat het niet om een kerkdienst ging, maar om een evenement. En evenementen vallen niet zomaar onder vrijheid van godsdienst. En kunnen dus om allerlei redenen verboden worden.De situatie draaide uit op chaos, de dienst werd door de politie onderbroken en hun voorganger Tom de Wal gearresteerd. Die genoot zichtbaar van de situatie en begon onmiddellijk de catacombenmartelaar uit te hangen. En met succes. Weliswaar waren er niet veel mensen die nou zo’n medelijden hadden met deze specifieke meneer en zijn volgelingen, maar wel vond men dat de godsdienstvrijheid geweld aan was gedaan. En dat doen we in dit land principieel niet.De burgemeester voelde zelf duidelijk ook nattigheid. Hij begon tenminste al vrijwel direct na het hele circus een terugtrekkende en verzoenende toon aan te slaan. Het riekt er met andere woorden naar dat iemand hem ondertussen heeft uitgelegd dat hij een bestuurlijke blunder heeft begaan. De uitkomst is op dit moment nog niet duidelijk, dus we zullen het zien.Het lijkt zo simpel. Wanneer is een bijeenkomst een religieuze plechtigheid en wanneer niet? Stel je voor: ik geef in een zaaltje in Groningen een lezing over mystieke theologie. Die gaat vanzelfsprekend over God. Want mystiek is het ontmoeten van God. Toch is die lezing daarom nog geen godsdienstige plechtigheid. Maar wat dan als ik afsluit met gebed?Wat als bijvoorbeeld een topvoetballer een kruisje slaat voor een wedstrijd en heel de tribune hem toejuicht? Gooit Femke Halsema dan de Amsterdam Arena op slot?En kan de gemeente trouwens eigenlijk wel besluiten wat een kerkgebouw is en wat niet? Want dat is toch eigenlijk een theologische kwestie. En wij hebben in Nederland een strenge scheiding van godsdienst en staat. Dus aan wie had burgemeester Hoes nou eens moeten vragen wanneer een bijeenkomst een kerkdienst is en wanneer niet?Aan de godsdienstwetenschappers van de universiteit! Dat is misschien een idee! Tilburg heeft niet voor niks de meest vooraanstaande katholieke theologische faculteit van het land, toch?Maar als hij dat werkelijk zou doen zou hij raar op de koffie komen. Dan zou hij namelijk van de heren professoren het volgende antwoord krijgen.‘Wij kunnen daar geen antwoord op geven omdat niemand weet wat religie is. Niemand kan je een werkbare definitie van het woord religie geven.Dat is toch wel raar. Religie is toch een begrip waar iedereen beeld bij heeft. Daar kunnen we het toch niet bij laten zitten. Er moet voor die arme burgemeester van Tilburg toch een antwoord mogelijk zijn?Kom op, ik vogel samen met jullie even uit wat religie ook alweer was. Want dat weten we toch stiekem allemaal? Of niet dan?Laten we voorzichtig beginnen en nog niet gelijk te veel invullen. Religie is iets dat zich spontaan manifesteert in groepen mensen. Dat is alvast iets. Ook kunnen we wel veilig naar het verleden kijken, want dat verandert niet meer en staat vast. Toch? Religie is iets dat altijd zo goed als alomtegenwoordig is geweest, kunnen we dan zeggen. Als archeologen opgravingen doen vinden ze vrijwel altijd sporen van gebouwen en voorwerpen en gewoonten die erop wijzen dat mensen veel energie en bezit investeerden in... nou, eigenlijk het weggooien en in brand steken en verspillen van energie en bezit. Ze bouwden een soort paleizen voor standbeelden die ze ook nog eten en drinken gaven. Of ze begroeven hun doden met een hele uitzet. Of ze gooiden hun kostbaarste spullen in moerassen. Sommigen van hen werden priesters en priesteressen en wijdden hun hele leven aan het uitvoeren van handelingen die geen praktisch nut hadden. Het lijkt erop dat ze probeerden iets ongrijpbaars of iemand met wie je niet op de normale manier een praatje aan kunt knopen een plaats te geven in hun dagelijks leven. Een belangrijke plaats zelfs.Enfin, als je goed hebt opgelet heb je al wel opgemerkt dat ik voortdurend woordjes als ‘vrijwel altijd,’ ‘bijna overal,’ en ‘zo goed als dit of dat’ gebruik. Ik ben de hele tijd aan het nuanceren en bijstellen. Hou dat even in gedachten.Goed: laten we eens een beginnetje van een definitie van religie proberen te bakken: ‘Religie is een systeem van schijnbaar ondoelmatige handelingen dat deel uitmaakt van de cultuur van groepen mensen.’ Dat durf ik nog wel te zeggen.Maar zo laat ik ook wel veel weg. Ik laat zelfs, voor mijn gevoel, het belangrijkste weg. Stel je voor dat je zou moeten raden naar wat er bedoeld wordt met de omschrijving: ‘...een systeem van schijnbaar ondoelmatige handelingen dat deel uitmaakt van de cultuur van groepen mensen.’ ‘Voetbal,’ zou je misschien zeggen. Of ‘ambtenarij!’Mijn definitie is dus zo incompleet dat ie volkomen waardeloos is. En we weten onmiddellijk wat eraan mankeert: goden en priesters en tempels en rituelen en zo kunnen we nog wel even doorgaan.Zo dachten de beroemde onderzoekers op dit terrein in de negentiende en twintigste eeuw er ook over. Zij waren de eersten die probeerden academische definities van religie op te stellen, en kwamen allemaal precies met die elementen. De eerste die wordt genoemd is meestal de antropoloog Edward Burnett Tylor die in 1871 religie definieerde als ‘het geloof in geestelijke wezens.’Dat klinkt de meesten van jullie waarschijnlijk logisch in de oren. Duh. Alleen zijn volgens Tylors definitie een heel stel religies geen religies. Waaronder een paar toch best belangrijke. Zoals de meest klassieke vorm van theravada boeddhisme. Zeg maar Laos en Thailand en zo. Confucianisme, daoisme en zen. China en Japan zijn dus ook niet religieus, schijnbaar.Dat werkte dus niet en er kwamen nieuwe, verbeterde definities. De psycholoog William James schreef in 1902 over religie als ‘...de gevoelens, daden en ervaringen van individuele mensen in hun eenzaamheid als zij menen zich te verhouden tot wat zij dan ook maar als het heilige beschouwen.’Je ziet dat het al snel ingewikkelder wordt. Toen hij probeerde uit te leggen wat ‘dat heilige’ dan zou moeten zijn kwam hij uit op alles wat de mensen als een godheid behandelen, waarmee hij eigenlijk gewoon herhaalde wat hij al gezegd had.De meest invloedrijke figuur ooit op dit terrein was waarschijnlijk Émile Durkheim, een van de grondleggers van de academische sociologie, moge God het hem vergeven. Hij definieerde een religie als: ‘...een geïntegreerd systeem van geloofspunten en praktijken met betrekking tot heilige dingen, dat wil zeggen dingen die zijn afgezonderd en verboden. Allen die die geloofspunten en praktijken aanhangen vormen zich tot een enkele morele gemeenschap, een kerk.’Geen mirakel van literaire schoonheid, deze beschrijving, maar bovendien bleef er ook niet veel van overeind.De ellende is namelijk dat sinds al die definities zijn opgesteld, er massa’s antropologen en dergelijke over de wereld zijn uitgezwermd om zoveel mogelijk culturen in kaart te brengen. Die kwamen vervolgens met uitzonderingen op ongeveer elk element in elke definitie. ‘In de Siberische Taiga,’ zo beginnen ze dan, ‘leeft een stam die...’ Die stam blijkt dan wel gewoonten te hebben die wij als religieus zouden bestempelen, maar geen goden te hebben en ook geen geesten en geen priesters en zo verder en zo meer. Jij gaat dan vervolgens je definitie weer aanpassen, waarop zij met een zeevolk uit Polynesië komen dat zeker dingen doet die jij naar godsdienst vindt rieken, maar die niet passen in jouw beschrijving.Je zou, met veel hangen en wurgen, misschien tot zoiets kunnen komen als: ‘Het verschijnsel religie wekt de indruk een vorm van uitwisseling te willen zijn tussen mensen en een werkelijkheid die via de normale menselijke communicatiemethoden niet bereikbaar is.’Goed, ik begin alweer in drijfzand te lopen. Want wat is een normale menselijke communicatiemethode? Zijn godsdienstige rituelen geen normale menselijke communicatiemethoden? Mensen zijn rare, ingewikkelde beesten en dingen die mensen samendoen kun je niet zomaar meten met een apparaat of een gps-bepaling of zo. Je kan niet iemand een thermometer in zijn achterste steken en daar de intensiteit van zijn godsvrucht aan aflezen, als is zoiets wel geprobeerd. Daarom zijn er legio nogal ingewikkelde methoden uitgedokterd om er toch iets over te zeggen. Ik zou je die uit de doeken kunnen doen, maar ik begin nu al te gapen.De ster die op dit moment nog eventjes het helderst schijnt aan het firmament van dit soort onderzoek is een Amerikaanse antropoloog met de welluidende naam Clifford Geertz. Ik lees je zijn definitie nog even voor, juist om je te laten zien hoe dit alles uit de hand loopt, en daarna gaan we naar een meer praktische benadering voor onszelf op zoek. Daar gaat ie, Clifford Geertz:‘Religie is een systeem van symbolen dat ertoe werkt krachtige, alomtegenwoordige en langdurige stemmingen en drijfveren in mensen te vestigen, door opvattingen te formuleren over een algemene orde van het bestaan en deze opvattingen te bekleden met een zodanige schijn van feitelijkheid dat die stemmingen en drijfveren zich als bij uitstek werkelijk voordoen.’[1]Je merkt al wel dat de goede man niet onbevooroordeeld is ten opzichte van zijn ond
Door alle Bijbelverafgoding waar we mee te kampen hebben - daar heb ik het eerder al eens over gehad - is het lastig om nog onbevangen bezig te zijn met de Heilige Schrift. Dat is jammer, want die zit toch wel degelijk vol heerlijke geheimen en kan zelfs letterlijk betoverend zijn. Daar kun je alleen nauwelijks nog je mond over opentrekken zonder dat mensen al gelijk weer een lichtgroene teint krijgen en om een spuugbakje vragen. Voor de schoonheid en de heiligheid van de Bijbel zijn er bijna geen woorden meer te vinden die nog niet besmet zijn met de sfeer van het akelige, en meestal onoprechte gedweep ermee waar je overal tegenaan loopt. Daarom neem ik, om er tóch iets over te kunnen zeggen, mijn toevlucht tot dat ándere beroemde heilige boek. Ik bedoel natuurlijk ‘Het oneindige verhaal,’ van Michael Ende.Het ‘Oneindige verhaal’ verscheen in 1979 en is een fantasy-boek. Het werd voor kinderen geschreven, maar de schrijver ervan was dermate briljant dat het ook voor volwassenen boeiende kost is.Het speelt zich af in twee werelden. De onze, waarin wij leven en die wij maar al te goed kennen, en een andere, die Fantasia heet en die in feite opbloeit uit onze verbeelding. Traditioneel wordt het boek daarom uitgegeven in twee kleuren letters, donkerblauw en roestbruin.Het verhaal begint in die roestbruine letters, en die vertellen wat er gebeurt in ónze wereld. Die waarin je elke dag je sokken aantrekt. Ze vertellen over Bastiaan, een dromerig jongetje dat veel te dik is, tenminste dat vinden de kinderen op zijn school. Niemand wil met hem bevriend zijn, en hij wordt gepest en geslagen. Op een regenachtige dag is hij weer eens op de vlucht voor een stel agressieve pestkoppen en duikt hij een winkel in om zich voor hen te verstoppen. Die winkel blijkt een antiquariaat te zijn, een winkel voor tweedehands boeken. Daar krijgt hij een plotselinge opwelling en steelt een geheimzinnig boek. Hij weet er ongezien mee weg te komen, maar daarna weet hij niet waar hij naartoe moet. Hij sluipt de school binnen waar hij in de les had moeten zitten en verstopt zich op de zolder. Hij installeert zich op een berg oude turnmatten begint te lezen. Vanaf daar gaat het verhaal verder in de donkerblauwe letters.Die vertegenwoordigen de tekst ín het geheimzinnige boek. Dat is enorm, gebonden in rood fluweel en versierd met een ovalen medaillon op de voorkant. Dat draagt de titel ‘Het oneindige verhaal’ en wordt omkranst door twee slangen die elkaar in de staart bijten. Het boek gaat over het rijk Fantasia, dat oneindig is en zonder grenzen, maar toch een middelpunt heeft.In dat middelpunt staat een ivoren toren waar ‘de kleine keizerin’ woont, een geheimzinnige oerkracht in de gestalte van een jong meisje. Fantasia, dat bevolkt wordt door alle fantasiewezens die je je maar voor kunt stellen - feeën en vampieren, trollen en dwaallichten, dwergen en reuzen ezovoort - is in gevaar. Overal wordt het land aangevreten door plekken waar niets meer is. Geen donker, geen grijs, geen verrotting, maar gewoon helemaal niets. Naar later blijkt komen alle fantasieën die in Fantasia door dat niets zijn opgeslokt, plaatsen en gebouwen, maar vooral wézens, in de roestbruine mensenwereld terecht. Maar niet als zichzelf, maar als leugens. Geperverteerde fantasieën dus.Dat alles blijkt te komen omdat de kleine keizerin ziek is. Dat overkomt haar eens in de zoveel tijd, en ze kan alleen worden genezen als ze een nieuwe naam krijgt. Maar die kan dan weer alleen een kind uit ónze wereld haar geven. Een kind omdat alleen een kind nog fantasieën heeft waar geen spoortje onwaarachtigheid kleeft. Een kind uit ónze wereld omdat alle wezens van Fantasia zelf fantasieën zijn en fantasieën kunnen niet fantaseren. Dat snapt een kind.De bewuste redder blijkt deze keer natuurlijk onze antiheld uit het roestbruine gedeelte van het boek te zijn, Bastiaan, de verlegen, dikkige jongen op de zolder van zijn school. En hij stelt niet teleur. Halverwege het boek geeft hij de kleine keizerin inderdaad een nieuwe naam. En dan gebeurt het ongelooflijke.Ten eerste wordt natuurlijk het rijk Fantasia genezen en vernieuwd. Maar ook wordt Bastiaan zelf het boek in gezogen. Aan het einde van het liedje is niet alleen het land van de fabels gered en de kleine keizerin genezen, maar ook Bastiaan zelf een heel stuk volwassener en zelfverzekerder geworden.Ik denk eigenlijk niet dat Michael Ende de Bijbel in zijn achterhoofd had bij het schrijven van het Oneindige Verhaal. Dan zou het waarschijnlijk ook nooit zo’n mooi boek zijn geworden, want opzettelijke allegorie en alles wat daarop lijkt wordt meestal vreselijk saai. Toch pakt de gelijkenis mij elke keer weer bij de strot.Het boek dat Bastiaan uit het antiquariaat stal bleek uiteindelijk te zijn bedoeld om letterlijk binnen te gaan, in te kruipen. Daardoor veranderde niet alleen Bastiaan, maar ook het boek zelf. De ziel ervan kreeg een nieuwe naam en heel de wereld die erin besloten lag bloeide opnieuw op.Dat is precies wat er ook met de Bijbel aan de hand is. Die is niet gemaakt om de mensenwereld in amber te gieten en op te sluiten in een staat van onveranderlijkheid. Ook niet om zelf in amber te worden gegoten. Om als een kostbaar afgodsbeeld in een vitrine te worden geconserveerd en daar verder tiranniek te liggen zijn.Mits de Bijbel wordt aangenomen op de manier zoals hij bedoeld is, kan hij dienen als een soort poort naar Gods eigen ivoren toren en Gods eigen kleine keizerin. Want Gods eigen Fantasia hoeven we niet meer te zoeken: daar wonen wij al. Wij zijn er geboren en gaan er dood. Wij trekken er elke dag onze sokken aan. Maar de schoonheid ervan en het schaterende plezier waarmee God het in al zijn kinderlijke onbevangenheid heeft geschapen kunnen we er maar heel af en toe in terugvinden. Want net als het Fantasia in het boek van Michael Ende is ook het rijk waar wij wonen ziek. Een grijze wezenloosheid grijpt overal om zich heen. Die noemen we in onze traditie ‘zonde’ maar als je daar teveel mee bent doodgegooid is gewoon ‘wezenloosheid’ ook een prima woord.Wezenloosheid vreet daar om zich heen waar je de schoonheid en de waarheid en de goedheid van de wereld en de mensen om je heen niet meer ziet. Als je geen dankbaarheid meer voelt, maar in plaats daarvan ontevreden honger.Toen de wereld net geschapen was, en de mensen ook, kregen zij van God de taak alles een naam te geven. Met andere woorden: om zich over alles te verwonderen en daar stem aan te geven. De gave van de schepping werkelijk aan te nemen.Het lijkt erop dat onze wereld nu weer een nieuwe naam nodig heeftEerder is de Bijbel bedoeld als brandstof voor onze reis naar de sterren, naar het rijk Gods. Niet voor niets wordt Gods woord overal in de Bijbel gegeten. In het Oude Testament door Ezechiël en Jeremia, en in het Nieuwe Testament door Johannes.Nou is het zo dat wat je eet deel gaat uitmaken van je eigen wezen, van je eigen wereld, van je bestaan hier en nu. Maar daarvoor moet het wel ook worden verteerd. Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt het geen vrucht voort. Daarom moet ook de Bijbel worden geconsumeerd om geen afgod te worden.Als we de Bijbel niet langer een Onding willen laten zijn zullen we er anders mee om moeten springen. De tegenstrijdigheden erin niet verdoezelen, maar vieren als een uitnodiging om er vrij mee om te springen. Teksten die in het jaar driehonderd voor Christus geschreven zijn niet behandelen alsof hun geldingskracht hier en nu onveranderd zou kunnen zijn. De geestkracht die erin besloten ligt moet eerst door ons eigen bewustzijn worden getransformeerd om in onze wereld de creativiteit te kunnen dienen. Moet worden gegeten en gedronken om te kunnen spreken op zo’n manier dat er licht uit bloeit in plaats van verstarring.Ten eerste kun je dat doen door niet alleen de Bijbel zelf te lezen, maar ook de verhalen en ideeën die de traditie daar later op heeft laten groeien. Het hoogtepunt van het christelijke voorstellingsvermogen tot nu toe ligt helemaal niet in de Bijbel. Dat is maar goed ook! Stel je voor dat je deel uit moet maken van een beschaving die tweeduizend jaar geleden al gepiekt zou hebben. Wat moet je hier dan nog? Lees dus de werken van de grote mystici, geniet van de kunst van Rafaël en Fra Angelico en ja, ook van die van de neogoten en zoeteplaatjesbakkers. Alles heeft zijn tijd en plaats. Laat je meevoeren door de muziek van Palestrina en de Gregoriaanse gezangen en de wonderlijke Hildegard.Maar vooral: zoek een plaats waar de liturgie, dus het rituele vieren van de Kerk, nog echt wijding en mysterie mag zijn. Het meest kostbare wat we op dat terrein hebben is de zogenaamde ‘Oude Mis,’ maar die is vaak ontoegankelijk, zelfs waar ze gevierd wordt. Dat komt omdat ze vaak wordt opgedragen in extreem conservatieve en door politieke bijzaken gedomineerde gemeenschappen. In een monastieke setting heb je nog de beste kans daarvan verschoond te blijven, maar zo’n situatie doet zich in Nederland eigenlijk alleen ergens in het uiterste noordpuntje van Groningen voor. Daarom is het soms beter om een kerk te zoeken waar de moderne liturgie op een klassieke manier wordt gevierd. De abdij van Vaals is daarin de absolute kampioen, maar veel grote steden hebben ook wel een kerk waar dat gebeurt. Het is soms even zoeken, maar van levensbelang als je echt iets van Gods Woord wilt begrijpen. Want dat is geen boek, maar een Persoon. En Hij wacht niet op jou als een vlinder geplet tussen vellen papier, maar in de gestalte van de Sacramenten in de Kerk. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
Vier weken hebben we zitten uitkijken naar de geboorte van de Verlosser. Advent, noemen we dat. We hebben, in het donkerst van het jaar, langzaamaan toegeleefd naar het moment dat het licht de nacht zou breken. Of nou ja: langzaam. In November was er al niet meer aan de lichtjes en de ballen te ontsnappen. De goede Sinterklaas is gekomen en gegaan met zijn zak en zijn pakjes, net als de heilige Lucia met haar kaarsenkroon. Zoals meestal is het ook dit jaar niet gaan sneeuwen, maar vriezen doet het wel. Dat helpt bij het krijgen van een kerstgevoel, hoe onnozel dat ook is. En, toch nog weer sneller dan verwacht is het dan kerstmis.Een stelletje sjofele herders krijgt Hem het eerst in de gaten, omdat een legermacht van engelen ze nuchter dronken heeft gevoerd met hemelse muziek. ‘Heden is U de Redder geboren!’ Betoverd hebben ze hun schapen bij elkaar geroepen en zijn ze naar Bethlehem gegaan. En daar is Hij dan, die Verlosser, die Redder, die Heiland. In een stal, in een voederbak voor de beesten.Een Kindje zoals alle andere kindertjes, eigenlijk, hebben die herders misschien wel gedacht. Een beetje kreukelig nog, ook. Vreselijk breekbaar tevoorschijn gekomen in een levensgevaarlijke wereld die je eigenlijk beter kunt vermijden, meestal.Maar dat heeft Hij dus niet gedaan. En zal Hij ook later niet doen. Heden is U de Redder geboren.Hij had niet hoeven komen. Hij had ook in het licht kunnen blijven, boven de wolken en achter de maan, waar er niet gehuild en niet geleden wordt. Per slot van rekening was het niet zíjn fout dat de wereld zo donker en lelijk was geworden. Wat kon Hij eraan doen?Hij kon er geboren worden, duidelijk, en dat was precies wat Hij deed. Hij kon er aanwezig zijn, niet wegblijven, niet wegkijken, niet wegkruipen in zijn eigen behaaglijke veiligheid.En dat is vriendelijk van Hem, maar wat moeten wij ermee. Hebben we dáár nou zo lang naar uitgekeken, hebben we dáár onze hoop op gesteld? Is dát onze Redder? Een frommelig baby’tje dat net zo hard poept en blèrt als alle andere. Natuurlijk is het wel lief en schattig, maar dat zijn ze allemaal, in het begin.Je stelt je bij een goddelijke reddingsbrigade toch wat anders voor. Gered worden is sowieso een beetje een onduidelijke toestand in dit geval. Want In sommige situaties is gered worden een uitgemaakte zaak. Als je aan je vingernagels aan een dakgoot hangt en er komt iemand met een ladder aanrennen ben je maar wat blij. Of als je je net heerlijk hebt laten gaan op een wc waar dan vervolgens geen wc-papier meer blijkt te hangen. Een hele opluchting als er dan iemand, waarschijnlijk grinnikend, een nieuwe rol aanreikt door het kiertje van de deur. Net zo voor situaties met liften die vastzitten, brandblussers en reddingsboten. Acute situaties met acute oplossingen, sommige ernstig, andere niet, maar het is duidelijk wat er aan de hand is en wat er moet gebeuren.Maar het is niet zo’n soort redding die de pasgeboren Redder komt brengen. Voor wie heel de werkelijkheid is scheefgelopen is er een totaal ander soort redding nodig. Waar er door verbittering, verslaving, trauma, chronische teleurstelling of verzuring een hele andere wereld is ontstaan dan die, die je je had voorgesteld. Waar het moeilijk is om je kinderlijke blik te bewaren, niet te verharden en te verdrogen en cynisch te worden.Dit kleine Reddertje moet je niet zien als een ambulance met zwaailichten of een ladder met een brandweerman. Dit kleine Reddertje is meer zoiets als een zaadje dat in een donkere winternacht in een kale doodse wereld in de aarde valt. Dit is een Redder die redt door er gewoon te zijn. En dat is tegelijk ook het enige dat Hij echt van óns vraagt. Er gewoon te zijn. Om te redden, maar ook om ons te láten redden en om ons daarover te verwonderen.Want zo moeilijk hoeft het allemaal niet te zijn. Het kan al in het piepklein gebeuren. Zoiets als een onverwacht vriendelijke opmerking die iemand maakt, en die in eerste instantie niet zoveel lijkt voor te stellen. Maar die dan langzaam maar zeker je hele stemming laat opklaren. Als je het wil zien.Zoiets als een oplossing die nog vlak onder je gedachten rijp ligt te worden, maar die je toch al aan voelt komen. Lijkt niks voor te stellen, is ook nog niks, maar wordt vrijwel zeker wat. Als je het wil zien.Zoiets als het breken van de koorts als je flink ziek bent. Lijkt niks voor te stellen, je kan het moment niet eens precies aanwijzen. Je bent ook nog lang niet beter, maar al het onbehagen dat er nog is wijst naar beter worden in plaats van beroerder. Als je je eraan overgeeft.Het kleine Reddertje in de stal van Bethlehem is het teken van dat soort redding, de redding die groeit uit aandacht. Hij is zoiets als het zaadje van de hoop. De hoop op een nieuwe wereld die er nog niet is, maar stiekem ook al wel, als je het wil zien. Er ligt nog een pak sneeuw overheen, en het is ook nog lang geen april, maar in het verborgene ligt de warmte van het nieuwe voorjaar al te flonkeren. Als een sterretje dat uit de hemel is gevallen om ons een Reddertje te worden. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
Lezing uit de eerste brief van de heilige Paulus aan de christenen van Korinthe (4, 1-5)1 Zó moet een mens ons beschouwen: als helpers van Christus en uitdelers van geheimenissen van God.2 Welnu, onder uitdelers wordt slechts vereist dat men betrouwbaar blijkt.3 Mij maakt het bijna niets uit dat ik door u word geoordeeld of door enige menselijke instantie; ik beoordeel ook mijzelf niet;4 want ik ben mij van niets bewust, ik ben daardoor echter niet gerechtvaardigd; maar die over mij oordeelt is de Heer.5 Oordeelt dan niet vóór de tijd, totdat de Heer komt, hij zal ook aan het licht brengen wat verborgen is in het duister en de overleggingen der harten openbaar maken; en dán zal aan een ieder de lof toekomen van Godswege.Uit het heilig Evangelie van Onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (3, 1-6)1 In het vijftiende jaar van de heerschappij van Tiberius Caesar -als Pontius Pilatus heerst over Judea, Herodes viervorst over Galilea is, zijn broer Filippus viervorst is van Iturea en de streek van Trachonitis, en Lysanias viervorst van Abilene is,2 onder heiligdomsoverste Annas, en Kajafas- geschiedt het woord van God aan Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn.3 Hij komt tot heel de streek van de Jordaan, predikend een doop van bekering tot loslating van zonden,-4 zoals geschreven is in de boekrol van de uitspraken van Jesaja de profeet: ‘de stem van een die roept in de woestijn: bereidt de weg van de Heer, maakt recht zijn paden!-5 elke kloof moet worden gevuld en elke berg, elke heuvel geslecht; de kronkelingen rechtgetrokken en de barre wegen vlak gemaakt:6 alle vlees zal zien de redding door God!’ (Jes. 40,3-5)PreekWaar wachten wij eigenlijk op? Niet alleen in de Advent, maar als christenen in het algemeen? Want is de portée van het hele christen zijn niet dat je wacht op Christus? Dat je Hem verwacht? Wat is een christen? Iemand die Jezus verwacht.In iedere menselijke ziel schuilt een heiligdom. Bij een christen is dat heiligdom vol van maar één gebed: kom, Heer Jezus, kom, mijn ziel heeft dorst naar jou.Betekent dat dan dat wij bestaan uit een stelletje idioten dat uit een antiek pak papier de aankomstdatum van een soort buitenaards wezen probeert te berekenen? Nee. De waarheid is dat wij over de details van Jezus’ komst geen flauw idee hebben. ‘Gij zult de Mensenzoon zien komen op de wolken des hemels met zijn engelen,’ horen we Hem zeggen. Sommige mensen menen dat heel letterlijk te kunnen nemen. Die vergeten dan weer dat Hij elders zegt dat je op die jongste dag overal ter wereld, waar je ook bent, die komst van Hem zal kunnen meemaken.“Als men u dan zegt: Zie, Hij is in de woestijn — gaat er niet heen;zie, Hij is in de binnenkamers — gelooft het niet.Want zoals de bliksem uitgaat van het oosten en zichtbaar is tot het westen, zo zal de komst van de Mensenzoon zijn.”Tenzij Hij alle dimensies door elkaar zal roeren of zichzelf door de kopieermachine zal trekken tot het zwart ziet van de Jezussen zal de werkelijkheid toch wel subtieler in elkaar zitten dan de fantasieën van Amerikaanse evangelicalen. En sommige valse Mariaverschijningen, zou ik daar nog aan toe moeten voegen.Hoe dan ook zal Jezus je niet voor niks laten wachten. Ook niet als het einde der tijden pas komt lang nadat jij bent gestorven. Hij komt je precies tegemoet in dat kleine heiligdom in je ziel, waar de Geest van God smeekt met onuitsprekelijke verzuchtingen: kom, Heer Jezus, kom!Het is ook precies daarom dat Johannes ons oproept de bergen te slopen en de sloten te dempen zodat de Heer vrij baan heeft bij zijn komst.Dat wordt meestal nogal nauw moreel geïnterpreteerd. Wij moeten brave jongens en meisjes zijn, anders slaat hij ons huisje over en moeten we in de zak naar... o, wacht, dat was die andere komst. Die hebben we al gehad.Natuurlijk maakt het deel uit van ons open staan voor God dat wij niet vol egoïsme zitten, niet alles en iedereen ondergeschikt maken aan onze platte begeerten. Daarbij maakt het niet uit of die begeerten financieel, seksueel of in bredere zin emotioneel zijn. De begeerte om serieus te worden genomen, te worden geëerd, te worden geraadpleegd en te worden gehoorzaamd is uiteindelijk precies dezelfde als de lust naar lichamelijke of materiële bevrediging. Het heeft allemaal te maken met een schreeuwende behoefte aan voltooiing en geborgenheid. Veilig zijn en geaccpeteerd worden.Maar als je je veiligheid en je bevestiging verwacht van dingen en mensen en geld en plezier verwacht je die automatisch niet van de liefde zelf. De komende Jezus. En dan zit je deur op slot, net als die van de bruid van het hooglied. Die liep al ik weet niet hoeveel coupletten te kwelen naar haar beminde. O, o, wat hield ze van die man. En, kijk aan: in een zekere nacht stond hij voor haar deur en fluisterde haar toe door het sleutelgat. En zij was te beroerd om haar nest uit te komen om voor hem open te doen. Daarna moest ze ik weet niet wat trotseren om het weer in orde te krijgen. Niet zij die zomaar roepen: ‘Heer, Heer!’ beërven het koninkrijk der hemelen.Het openstaan en verwachten en zuchten naar Christus is niet zomaar moreel. Het is ook niet zomaar esthetisch of zomaar emotioneel. Het is niet zomaar seksueel, laat staan intellectueel. Het is universeel. Het maakt je hele wezen uit. Je bent hier op aarde om met alles wat je bent, met heel je belevingswereld en alles en iedereen verenigd en nieuw te worden gemaakt in Hem.Hoe dat kan heeft Hij al eens voorgedaan. Wie het Koninkrijk wil beërven moet worden als een Kind. Onvoorwaardelijk hier en nu aanwezig en bereikbaar. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
Het is zo ongeveer twaalf graden boven nul en vooral drijfnat. Het is ook al half december geweest, en we verlangen zo langzamerhand naar een beetje kerstgevoel. We hebben de halve ballen- en lichtjesafdeling van de Intratuin naar binnen gesleept, draaien de godganselijke dag kerstdeuntjes en eten alleen nog stamppotten en dingen met speculaaskruiden erin. En toch wil dat kerstgevoel maar niet opkomen. Waar doen we het eigenlijk allemaal nog voor?Voor veel van ons duurt de winter gewoon te lang. Weliswaar wordt het nooit écht koud, maar er is een soort eindeloze herfst ontstaan. Alsof het van november tot april altijd maar gewoon, eeh, november blijft. Gíng het maar gewoon eens lekker vriezen, daar knapt een mens van op. In plaats daarvan regent en waait het vooral veel, en zitten we binnen een beetje te verzinnen hoe we ons eens zullen vermaken. Dat komt in de praktijk meestal neer op zitten te pielen op je telefoon terwijl de muggen om je hoofd zoemen. In december.Precies daarom doen we waarschijnlijk zo’n moeite voor kerst. Precies daarom hebben we er zo’n honger naar en zo’n zin in. Precies daarom zijn de lichtjes en de ballen niet aan te slepen en is er een acute uitbraak van verlichte rendieren en knipperende pegelgoten. Wij sterven niet zo zeer meer aan oorlogen en pandemieën als wel aan de verveling. Het is niet het duister dat ons dreigt, maar vijftig tinten grijs.Daar is ten eerste internetgrijs. Internetgrijs ontstaat wanneer er zóveel geuren en kleuren door elkaar geroerd worden dat ze eindigen in grijs, net zoals de pluis die nadat je de gekleurde was hebt gedraaid in het filter van de machine achterblijft. Dat grijs draag je bovendien met je mee, door de kleine tiran in je broekzak.Verder is er sociaal grijs. De meesten van jullie kunnen het zich waarschijnlijk nauwelijks herinneren, of je was gewoon nog niet geboren, maar nog niet zo lang geleden liepen mensen spontaan bij elkaar binnen en belden elkaar spontaan op. Nu maken we dagen en soms weken van tevoren een afspraak om het gezellig te hebben, alsof we naar de tandarts gaan. Dat wordt op de een of andere manier toch nooit hetzelfde. Maar we hebben het zoveel drukker dan de mensen vroeger met... ja waarmee eigenlijk?Dan is er nog het creatieve grijs. We hoeven niks meer te maken omdat alles te koop is. Een trui van de Zara zit strakker in elkaar dan eentje die je zelf gebreid hebt en pakt meestal nog goedkoper uit ook. Een kippenhok timmeren hoeft ook niet meer, dat haal je je gewoon bij de Welkoop of zo. Zingen en muziek maken is ook een hoop moeite voor niks, want dat kan Adèle beter, en die is elk moment beschikbaar, overal. Tekenen en schilderen dito: daar wordt elektronisch in voorzien en dat is ook nog beter voor het milieu en je hebt er geen rotzooi van in huis.Naar buiten, dan maar? Even weg van de telefoon en het eindeloze entertainment? Maar buiten is het grijs, het regent en er is niks te zien. De bomen zijn kaal en het gras heeft de grijsgroene kleur van boontjes uit een potje in de supermarkt.Maar gelukkig is er dus kerst. Het mag dan wel te warm zijn, maar donker is het wel en binnen kun je het zo decemberig maken als je wilt, toch? Dus proppen we ons hele huis vol zilverglas en dennentakken.Maar we voelen er niks bij, nogal eens. Het kerstgevoel ontsnapt ons net zoals een naam die je voor op de tong ligt maar toch niet kan zeggen. Of iets wat je aan de zijkant van je blik steeds heel even meent te zien, maar toch niet scherp in het vizier kunt krijgen. Al die kerstmaatregelen die je hebt genomen - ballen, lichtjes en speculaas - lijken de onkerstigheid van je stemming, en trouwens van je hele wereld - alleen maar te onderstrepen.Goed, genoeg geklaagd. Wat gaan we eraan doen?We beginnen met het weer. Daar is niks aan te doen. Beter opletten is het enige dat ik kan verzinnen. Want die zes maanden november zijn maar schijn. Ook als de winter niet de sneeuw brengt die je van hem verwacht brengt hij misschien stiekem wel dingen die je níet verwacht. Dus toch maar gewoon het bos in en fietsen in plaats van met de auto. Want ook die eindeloze regen is meer een idee dan een werkelijkheid.Dan het probleem van het benauwende internetgrijs. Veel van mijn collega priesters dringen erop aan maar eens streng te gaan internetvasten. Dat klinkt heel verstandig - en dat is het ook - als je het kunt opbrengen. Maar dat kunnen de meesten van ons helemaal niet. Want we zijn ermee vergroeid. En niks is zo frustrerend als mislukte goede voornemens. Krijg je geen kerstgevoel van.Maar misschien is er een gulden middenweg? Vertraging in plaats van vasten? We wéten dat het niet het héle internet is, maar dat het een paar hele specifieke sociale media zijn die ons het meest verslaven en onze aandacht wegvreten. Misschien zou je alleen díe de nek om kunnen draaien en dat gewoon vol kunnen houden. Want ze zijn net zo dodelijk voor jouw kerstgevoel als koning Herodes voor het Kindje Jezus. Ik noem geen namen, we weten allemaal welke het zijn.En dan verder eens dingen gaan doen die erop gebaseerd zijn dat er iets geboren moet worden. Dat je moet bevallen van iets. Want dat is wat kerst uiteindelijk ís. Dat midden in het donker - of de grijsheid - er iets in de wereld verschijnt dat nieuw licht en nieuwe hoop brengt. En die vallen niet uit de hemel neer en worden ons niet van buiten opgedrongen.Dat God is ménsgeworden in het Kindje Jezus betekent juist dat het licht en de blijdschap worden geboren uit de wereld zélf. Uit jou, om precies te zijn. Je hoeft het heil niet van elders te verwachten: je draagt het zelf al in je mee. Je loopt het alleen voortdurend voorbij.Goed, even pas op de plaats. Als je het ware kerstgevoel wilt krijgen, dus als God in jou Mens moet worden, moet je eerst weten wie die God is. Anders kun je persen totdat je blauw aanloopt, maar dan is frustratie het enige dat je tevoorschijn krijgt. Gelukkig is het helemaal niet moeilijk om te weten wie God is, want daar hebben we de traditie voor. En die zegt drie dingen over God: God schept, God redt en God maakt één.Aspect één: God schept. Dus jij ook. Dat Maria Carey en Adèle beter kunnen zingen dan jij is vast waar, maar doe het toch maar. Maak muziek. Of teken of schilder of brei, in godsnaam. Schrijf een kerstverhaal, timmer een tuinbank. Hoe dan ook: maak iets. Het mag nuttig zijn, maar daar mag het niet om gaan. Maak niet iets omdat je het nodig hebt, maar omdat je een Maker bént. Een Schepper bént. Maak om te zijn, niet om te maken.Aspect twee: God redt. Dus jij ook. Niet door in een soort schaatspak met een cape door de lucht te vliegen en ontsporende treinen te stoppen. Dat lijkt me niet erg realistisch. Ook niet door zieken te genezen door handoplegging of geld op de bankrekeningen van goede doelen te storten. Dat laatste moet je misschien wel doen, maar dat is té abstract om je ervan te doordringen dat je bent gemaakt om een redder te zijn. Dat doe je vooral door de behoeften van mensen om je heen te zien en daar iets op te ondernemen. In onze samenleving is dat vaak vereenzaming en verveling.Misschien gaat het dan om mensen op leeftijd of mensen die gewoon sociaal niet zo handig zijn en buiten de boot vallen. Het is niet nodig om specifiek op zoek te gaan naar mensen om te redden. Ze doen zich vast en zeker spontaan aan je voor. Meestal zijn het namelijk net zulke mensen als jijzelf. Doorsnee mensen met doorsnee angsten en verlangens en vooral: doorsnee verveling. En jij hebt weliswaar geen spandex superkrachten maar wel één superkracht die daar ver bovenuit stijgt: aandacht en aanwezigheid. Superman is er niet, jij bent er wel. Dat maakt jou de gegarandeerde winnaar. Je kunt die aanwezigheid in Tiktok investeren. Je kunt ook iemand ontmoeten. En redder zijn.Aspect drie. Verenigen. God maakt één. Om God de Vereniger op aarde te zetten komt er wel meer kijken dan die andere twee. Het begint bij zelf mensen vergeven. Dat klinkt makkelijk, maar dat is het soms niet. Wel als het gaat om mensen die je gewoon een keer goed op je bord hebben gescheten. Vervelende mensen. Irritante mensen. Die zijn fantastisch om je vergeefcapaciteiten op te oefenen. En dan mag je ook best van jezelf verwachten dat dat zo’n beetje lukt, ook. Maar er zijn ook mensen die écht kwaad te vergeven hebben. Van die mensen kun je dat niet eisen. Het is letterlijk een godsgenade als ze dat tóch lukt.Maar verenigen eindigt niet bij vergeven. Ook het samenbrengen van mensen en het bewaren van de goed sfeer hoort daarbij. Juist met kerst vinden mensen dat vaak een enorme uitdaging. En dat is het ook, omdat we getraind zijn sensatie te zoeken in plaats van te relativeren. Verontwaardiging te voeren in plaats van te dempen. Overal een mening over te hebben in plaats van ons te beperken tot dingen waar we ook echt verstand van hebben. Op die drie punten eens een andere koers kiezen levert wonderlijke resultaten op.En dan kalmeert misschien de storm van grijzigheid in je hoofd, het flikkerende duister en de lawaaierige verveling. Misschien klaart het nét genoeg op om de ster te zien schitteren die je bij je kerstgevoel brengt. Misschien ook niet. Dan prop je je gewoon vol met kerstkransjes en overgebleven pepernoten en tiktok je je tussen de muggen helemaal suf terwijl je ondertussen je familie uitscheldt. Even later is kerst gewoon weer voorbij en groeit het voorjaar. En volgend jaar probeer je het gewoon opnieuw. Leven is leren. In de hemel rusten we uit. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
Lezing uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi4 Verheugt u in de Heer, altijd; nog eens zal ik zeggen: verheugt u!5 Laat uw vriendelijkheid bekend worden aan alle mensen. De Heer is nabij.6 Weest over niets bezorgd,- nee, laten in alles, in aanbidding en smeking met dankzegging, uw vragen bekend worden bij God.7 En de vrede van God, die alle denken te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus.Lezing uit het heilig Evangelie van Onze Heer Jezus Christus volgens Johannes19 En dit is het getuigenis van Johannes, wanneer de Judeeërs vanuit Jeruzalem tot hem heiligdomsdienaren en Levieten zenden om hem de vraag te stellen: u, wie bent u?20 Hij belijdt,- hij loochent het niet en belijdt: ík ben de Gezalfde niet!21 Ze vragen hem: wat dan wél?- bent u Elia? Hij zegt: dat ben ik niet! De profeet,- bent u dat? En hij antwoordt: nee!22 Dan zeggen ze tot hem: wie bent u, zodat wij een antwoord kunnen geven aan wie ons hebben gestuurd?- wat zegt u over uzelf?23 Hij verklaart: ik, ik ben ‘de stem van een roepende in de woestijn: maakt recht de weg van de Heer!’ (Jes. 40,3), zoals Jesaja, de profeet, gezegd heeft.24 Ook zijn er afgezanten geweest uit de gelederen van de Farizeeërs.25 Ze stellen hem een vraag en zeggen tot hem: waarom doopt u dan, als u niet de Gezalfde bent, niet Elia en niet de profeet?26 Johannes antwoordt hun en zegt: ik doop in water; midden onder u staat hij -van wie u het niet weet-27 die, na mij, komende is, voor wie ik niet waardig ben om zelfs maar de riem van zijn schoeisel los te maken!28 Dat alles geschiedt in Betanië aan de overzij van de Jordaan,- want daar was het dat Johannes doopte.PreekVerheugt u in de Heer. Midden onder U staat Hij - van wie u het niet weet.Wij mensen voelen ons nog best vaak door God in de steek gelaten - ook als wij gelovige mensen zijn. Hoe moeilijk is het om een zonnige kijk op het leven te houden als de wereld steeds donkerder, dommer en wezenlozer lijkt te worden. En kouder en wreder - want die dingen horen bij elkaar.Wij denken dat veel van die ellende uniek is voor onze tijd. Dat ónze specifieke vorm van dreiging en donkerte wel de meest vervreemdende moet zijn die er ooit gezien is. Met onze oorlogen en uit elkaar vallende beschaving, met onze atoomdreiging en klimaatcrisis.Maar de vorige keer was het de builenpest en de keer daarvoor enorme hongersnood en waar de mensen in de prehistorie over piekerden: daarover wil ik niet eens nadenken.De wereld waarin Jezus mens werd was in ieder geval niet fraaier dan de onze. We denken wel vaak met verwondering en bewondering terug aan de Grieks-Romeinse beschaving, maar in werkelijkheid was het een wereld op een andere planeet. Een wereld waar voor tederheid en zachtheid niet veel ruimte was. Zowel met de hemel als de aarde hadden de mensen een harde, zakelijke verhouding. Als ze zich wilden vermaken gingen ze naar de arena om te zien hoe mensen elkaar de hersens insloegen, of op allerlei sadistische manieren werden vermoord.Jezus hoorde dan ook nog weer eens bij een uithoek van dat rijk waar geen rekening mee werd gehouden, behalve dan wanneer het moest worden onderdrukt en gekoeioneerd.De mensen daar zullen wel niet automatisch een zonnige blik op het leven hebben gehad. Eigenlijk geldt dat voor de meeste mensen: wegzinken in gepieker kost niet veel moeite. Het licht zien dan weer wel. Het lijkt nogal eens alsof onze ogen te vechten hebben tegen een tegenwind van duisternis en grijze nietszeggendheid.Maar die dingen zijn maar schijn, zegt Johannes ons.Midden onder U staat Hij die gij niet kent. Jullie wachte op het heil, maar het is er al! Je hoeft het maar te zien.Zoals vandaag het licht door onze paarse gewaden schijnt en ze roze kleurt, zo is ook - in alle verborgenheid - het licht verweven met onze duisternis.Toen ik dertig jaar geleden op het seminarie zat heerste nog alom de verplichte lelijkheid. Omdat de priesters vergeten waren dat ze niet namens zichzelf aan het altaar stonden, moesten alle gewaden lijken op jute zakken. Anders zou het immers onbescheiden zijn. Hadden ze beseft dat ze sowieso als individu helemaal achter Christus dienden te verdwijnen tijdens de liturgie, dan hadden ze zich die genante modeshow kunnen besparen. Dan hadden ze rustig in de koninklijke traditie van schoonheid en majesteit kunnen verder vieren zonder ook maar de minste schaamte. Maar zo ging het dus niet.Om te bewijzen hoe verschrikkelijk nederig ze wel niet waren gingen ze rondlopen in jurken die bedoeld waren associaties met herders en vissers uit het Galilea van de eerste eeuw op te roepen. Maar omdat het toch de liturgie was, en ook wel een beetje omdat ze stiekem toch nog steeds wel best ijdel waren, zat er dan toch weer een gouddraadje doorheen. Het was ruw en boers en met schreeuwerige kleuren chroomgroen en cadmiumrood met af en toe een glittertje erdoor. Een beetje zoals de maillot van een koorddanseres in het circus die te vaak gewassen is.Heel de vormgeving van toen bewees al gelijk de mislukking ervan. Want de werkelijkheid van Gods kinderen is natuurlijk nooit plat en grof, en al zeker niet donker. Want midden onder jullie staat Hij die jullie niet kennen. Maar die jullie toch meer eigen dan vreemd is, en dichterbij dan je bij jezelf bent.Hoe hopeloos, hard, prozaïsch en troosteloos deze wereld ook lijkt, en hoe kapot gemaakt door zonde en haat: stiekem verbergt zich de gouden draad vlak onder de oppervlakte. De draad van het zijn zelf, de Vader die alles in het bestaan houdt. De draad van de vormen, geuren en kleuren zoals ze wél bedoeld zijn, uit de hand van de Zoon, die komt. En de draad die dat alles samenbindt en eenheid schenkt, uit de hand van de Geest. We zien het nog niet, we wachten nog. Op wat er in feite de hele tijd al is... This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
De grote martelaressen hebben altijd zoiets als een speciale status gehad op de heiligenkalender. Ze maken op de een of andere manier emoties los waar hun mannelijke tegenhangers niet aan kunnen tippen. Natuurlijk: Laurentius en Sebastiaan worden met enthousiasme vereerd, en dat is ook altijd zo geweest. Maar Agnes, Cecilia en Dorothea komen toch nog net nog iets vaker voor op onze kerkmuren en sokkels, om nog maar te zwijgen van Catharina en Barbara. Dat waren in de middeleeuwen wel echt een soort halve godinnen. Dat is ironisch, want ze zijn nou juist vermoord omdat ze weigerden aan goden en godinnen te offeren. De heilige van deze week, Lucia, is een wel héél speciaal geval. Zij stierf de marteldood op Sicilië en schopte het, nota bene in de negentiende eeuw, tot zoiets als de heidense moedergodin van Scandinavië, of all places.Om maar even met het begin te beginnen, de legende van Lucia gaat als volgt (ik geef hem hier met alle middeleeuwse versieringen erop en eraan, we zijn niet gereformeerd). Lucia was een christelijk meisje in de stad Syracuse op Sicilië, in de derde eeuw. Natuurlijk was zij beeldschoon, van adel en razend intelligent, want zo hoort dat. Haar vader stierf al vroeg, zodat haar moeder Eutychia het hoofd van het gezin werd. Die moest pragmatisch denken, en wilde Lucia uithuwelijken aan een rijke heidense jongeman. Die bleek natuurlijk een snoodaard te zijn, die haar alleen wilde hebben vanwege haar centen en haar mooie ogen.Zij wilde trouwens sowieso niet trouwen, want zij had haar maagdelijkheid aan Christus beloofd, en wilde haar bruidsschat uitdelen aan de armen, zodat zij in het hemelse koninkrijk een schat zou bezitten.Haar moeder wilde van dit alles niks weten, maar begon op den duur te twijfelen. Zij had al een hele tijd aan bloedverlies geleden en zich geen raad geweten. Daarop had haar dochter Lucia een heilige droom gekregen. In die droom verscheen haar de heilige Agatha. Die was 52 jaar daarvoor vermoord tijdens de vervolging onder keizer Decius, en deed het ene wonder na het andere. ‘Stuur je moeder maar naar mij,’ zei Agatha. ‘Want jouw geloof en vertrouwen zijn zo groot dat ik haar door Gods genade genezing wil schenken. En jijzelf zult de glorie van Syracuse worden.’ En natuurlijk ging het ook precies zo: na een hoop drammen en aandringen van Lucia ging Eutychia naar Agatha’s graf en was onmiddellijk en definitief gezond.‘Nou heb je het bewijs dat ik niet maar wat loop te dromen,’ had Lucia tegen haar moeder gezegd. ‘Laat me dus een godgewijde maagd blijven en mijn geld aan de armen geven. Eutychia, praktisch als ze was, stribbelde nog wel even tegen - dat geld kon toch ook gewoon voor de zekerheid nog even bewaard worden en zo, maar er hielp letterlijk geen lieve moedertje aan. Lucia was begonnen haar goud en haar juwelen uit te delen aan de armsten van de armen.De man die eerst met haar zou trouwen kreeg daarvan te horen, en werd woedend. Hij liep naar de heidense gouverneur en gaf haar aan als christen. Zij werd onmiddellijk gevangengenomen. ‘Offer aan de beschermgeest van de keizer, anders zetten we je in een hoerenkast,’ was de boodschap. Maar natuurlijk was Lucia nergens toe te bewegen. Letterlijk niet. Ze was niet meer van haar plaats te krijgen. Niet met een hele troep soldaten en zelfs niet met een span ossen. De gouverneur raakte in paniek van haar. Was ze bezeten door een kwade godheid of een demonische presentie? Hij liet hout en takkenbossen tegen haar opstapelen om haar levend te verbranden, maar zij was als de drie jongelingen in de vuuroven uit het boek Daniël. Het vuur laaide hoog op, maar zij stond stil en sereen en ongeschonden tussen de vlammen.Onder de toeschouwers stond haar valse bruidegom, die haar om alle verkeerde redenen had willen hebben en niet had kunnen zien wie zij werkelijk was. Toen zij hem in de menigte ontwaarde trok zij haar eigen ogen uit de kassen en bood ze hem aan. ‘Hier heb je je juwelen,’ zei ze erbij.De gouverneur begon bang te worden dat dit spektakel van christelijke standvastigheid een bekeringsgolf zou veroorzaken. Daarom zocht hij zijn toevlucht tot de enige remedie die romeinse beambten hadden tegen onverwoestbare heilige vrouwen. Hij liet haar de hals doorsnijden. Op de een of andere manier gaan ze daar altijd wél dood aan, en zo ging het nu ook. Lucia zuchtte bevallig en gaf de geest.Goed, de werkelijkheid zal wel tegelijk een stuk minder feeëriek én een stuk minder gruwelijk en toch ook tegelijk een stuk grimmiger zijn geweest. Want romeinse heiligenverhalen zijn nou eenmaal een hoop dingen door elkaar. Je wordt er soms een beetje duizelig van.Hoe dan ook veroorzaakte Lucia typisch zo’n kettingreactie die van de toevalligheden aan elkaar hangt, en toch volkomen logisch uitpakt. Waar dat griezelverhaal van die ogen precies vandaan komt weten we niet, want dat verschijnt pas heel laat. Maar tegen die tijd was ze zeker al de beschermheilige van de ooglijders. In combinatie met de datum van haar feest maakte haar dat tot een mythische gestalte in de donkerste en somberste tijd van het jaar.Zo werd zij in de middeleeuwen een brengster van troost voor wie het niet meer zag zitten. Ofwel door het donker en de kou, ofwel door oogkwalen.En dan gebeurt er iets geks. Aan het einde van de negentiende eeuw kregen de mensen in het westen voor het eerst last van hun gebrek aan identiteit. Dat gebeurde het eerst in protestantse gebieden, waar de godsdienst totaal geen ruimte liet voor de verbinding met de natuur en het onbenoembare in de menselijke ziel. Intellectuelen, zoals de gebroeders Grimm in Duitsland, en Hans Christian Andersen in Denemarken, begonnen eerst sprookjes en motieven uit het volksgeloof op te tekenen, en daarna te bewerken. Zij werden razend populair, en er groeide zoiets als een verlangen naar de heidense onderlaag van de beschaving en dat deel van de christelijke erfenis dat daar contact mee kon maken. Dat deel dus, dat de protestantse kerk had afgedankt en verwaarloosd.Zo kwam ook Lucia van de storthoop terug, nota bene in het hoge noorden, in Zweden. Officieel ging het om een puur seculier iets, iets van buiten de Kerk. Die deed immers daar niet meer aan heiligen op die manier. Het begon in gegoede burgerfamilies waar veel boeken werden gelezen en graag werd geknutseld. Een van de meisjes mocht Lucia zijn. Zij kreeg een krans met brandende kaarsen op het hoofd om, in het donkerste van het jaar, het naderende licht zelf te worden. Het licht van de komende Verlosser, het Licht van de terugkerende zon. Het licht van de onverwoestbare hoop.Als een lopend vuurtje verspreidde dat lieve gebruik zich over heel Scandinavië, net zoals de kersboom dat al eerder in Duitsland had gedaan. Want beide hebben natuurlijk stiekem dezelfde worteltjes. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
Na de kruisdood van Christus begon het “goede gerucht” zich te verspreiden dat Hij leefde, dat Hij verrezen was. Zijn graf was leeg, en Hij verscheen aan een paar vrouwen uit zijn gevolg, en daarna aan zijn apostelen. En waarschijnlijk bleef het nog een hele tijd min of meer bij dat kleine groepje. De brieven van Paulus waren er nog niet, en de Evangeliën zoals wij die kennen begonnen zelfs pas dertig jaar later op het toneel te verschijnen. De Paasboodschap was in het begin dus een mondelinge boodschap. Zoals ik al zei werd het vaak een ‘goed gerucht,’ genoemd. Bij een kleine, maar zeer gemotiveerde groep mensen viel dat gerucht in goede aarde en schoot wortel.De apostelen krijgen de GeestDe eerste kiem van die groep mensen was het gezelschap van de twaalf apostelen. Judas Iskariot was weliswaar afgevallen nadat hij Jezus verraden had en zich daarna had verhangen, maar in zijn plaats was Matthias gekozen. Er waren dus vanaf de verrijzenis twaalf “hoofdgetuigen” en daarnaast nog een gezelschap van andere leerlingen die Jezus persoonlijk hadden gekend en uit eerste hand over Hem konden vertellen. Zij waren ook de eersten die waren geconfronteerd met het wonderlijke fenomeen “Heilige Geest.” Vóór zijn dood en verrijzen had Jezus beloofd dat die zou worden uitgestort, en inderdaad hadden de apostelen vijftig dagen later een doordringende ervaring.Er klonk ten eerste een suizende wind in de kamer waar ze bij elkaar waren. Die wind was een bekend teken van Gods zelfopenbaring. Al in de verhalen over Elia wordt gesproken over zijn aanwezigheid als het “suizen van een zachte bries.” Ten tweede verschenen er boven de hoofden van de apostelen tongen van vuur. Tijdens zijn prediking had Jezus uitdrukkelijk gezegd: “vuur ben Ik komen brengen op aarde, en hoe verlang Ik dat het oplaait!” Vuur was, net als wind en storm, één van de tekenen van Gods Majesteit. Ten slotte hoorde ineens iedereen de apostelen spreken in zijn eigen taal: Parthen, Meden en Elamieten, Mesopotamiërs, Kappadociërs en mensen uit Pontus en de Romeinse provincie Asia (het westen van het huidige Turkije). Deze gebeurtenissen worden van oudsher beschouwd als de geboorte van het verschijnsel “Kerk.”Het fenomeen “Kerk” Het woord “Kerk” is niet meer voor iedereen vanzelfsprekend, en betekent bovendien niet voor alle christenen hetzelfde. Het Nederlandse woord “Kerk” komt, net als het Engelse “Church” en het Duitse “Kirche” van het Griekse genitief “Kyriake,” dat letterlijk “van de Heer” betekent. De Latijnse talen hebben het over “Chiesa,” “Église,” “Iglesia” of iets van dien aard. Die woorden zijn afgeleid van “Ekklesia,” grofweg de “samengeroepen gemeenschap.” Het werd gebruikt voor de volksvertegenwoordigers van Athene in de klassieke oudheid, maar in de Griekse vertaling van het Oude Testament (de Septuagint) ook voor het samengeroepen Israël. In het Nieuwe Testament slaat het op de jonge christelijke gemeenschap, ook vaak voor de specifieke christelijke gemeenschap van een bepaalde plaats.In de oude Kerken die wortelen in de oorspronkelijke christelijke gemeenten van de oudheid – dus grofweg de oriëntaals- en oosters-orthodoxen en de katholieken – wordt er grote waarde gehecht aan het verschijnsel “Kerk.” De Kerk is de familie van alle gelovigen. De Kerk is tegelijk de Moeder van de christenen en het Lichaam van Christus op aarde. Juist omdat het op een lichaam lijkt is het ook een hiërarchisch opgebouwde organisatie met ambten die door een ongebroken stamboom op de apostelen worden teruggevoerd (“apostolische successie”). Iedereen heeft in dit gebeuren zijn eigen plaats en functie. Er wordt geloofd dat Gods beloften een garantie vormen dat de Kerk tot aan het einde der tijden nooit helemaal aan het kwaad ten onder zal gaan. Bovendien garandeert diezelfde ambtsopvolging de reële werkzaamheid van bepaalde rituele handelingen, zogenaamde “Sacramenten.” Sacramenten zijn tekenen die datgene bewerken waarnaar ze verwijzen. Ze vormen een confrontatie met Gods heilige Aanwezigheid en verlossende werken die objectief en gegarandeerd is, bemiddeld door het stoffelijke hier en nu. De meeste ervan worden toegediend door zogenaamde ‘geestelijken,’ gelovigen die speciaal daarvoor zijn aangesteld en gewijd. Die komen in drie graden, bisschoppen, priesters en diakens. De Kerk is georganiseerd in bisdommen, elk met een zogenaamde “bisschop” aan het hoofd, die de volheid van het priesterschap heeft ontvangen en alle Sacramenten kan bedienen. Hij wordt beschouwd als een directe opvolger van de apostelen. Hij wijdt op zijn beurt priesters die gewoon “priester” worden genoemd en die verschillende functies kunnen hebben. Meestal werken ze in zogenaamde “parochies,” de christelijke gemeenschappen op lokaal niveau, maar sommigen van hen zijn ook monnik in een klooster of werken in een ziekenhuis of in het leger of iets dergelijks. Er zijn ook nog “diakens,” die de derde trap van het priesterschap vertegenwoordigen. Zij zijn in de meeste bisdommen in ons deel van de wereld tegenwoordig zeldzaam. Van oudsher helpen zij de bisschop met de praktische christelijke naastenliefde in de christengemeenschap, ook materieel.De hiërarchie bestaat dus uit bisschoppen, priesters en diakens, die de taak hebben het Evangelie te verkondigen en uit te leggen (inclusief de daaruit af te leiden theologie en bepaalde morele consequenties daarvan), de Sacramenten te bedienen en in het algemeen de gelovigen met raad en daad terzijde te staan. Men pleegt dat alles samen “zielzorg” of “pastoraal” te noemen. De doorsnee katholiek of orthodox krijgt in zijn leven het meest te maken met gewone priesters. Zij zijn degenen die doorgaans de Sacramenten bedienen aan de gelovigen in de parochies.Van die Sacramenten zijn er zeven: Het doopsel, het Vormsel, de Eucharistie, het Huwelijk, de Priesterwijding, de Ziekenzalving en de Biecht. Ze bestaan in een bijzondere samenhang die heel het leven van de christen draagt en omsluit. Het hart ervan op aarde – en dus van heel de Kerk op aarde – is de Eucharistie, het Misoffer. Het is daar dat Christus het meest condens en tastbaar op aarde aanwezig is in zijn Wezen en Werken.Verwarrend aan dit hele gebeuren is dat het voortdurend door mensen gedragen moet worden van wie de persoonlijke heiligheid niet gegarandeerd is. Volgens het klassieke christendom hecht God er bijzonder aan de persoonlijke vrijheid van zijn gelovigen in stand te laten, dus ook de vrijheid om een stuk verdriet te zijn. Ook de priesters veranderen niet plotseling in lichtgevende engelengestalten door de verheven ambten die ze bekleden. Dat heeft volgens de theologie weliswaar geen consequenties voor de objectieve werking van de Sacramenten als zodanig, maar natuurlijk wel voor de geloofwaardigheid en daarmee de ontvangst ervan. Jantje kan nog zo’n dief, leugenaar en hoereerder zijn, als zijn priesterwijding ooit “geldig” was zijn zijn Missen, Ziekenzalvingen en absoluties het nu ook. Dat alleen de meest scherpzinnige en koelbloedige gelovigen dat nog in de gaten hebben en dat de rest ondertussen de benen heeft genomen en er niet meer in gelooft is een ander verhaal.Het is overigens een klassieke fout (“klerikalisme”) om door de technische opbouw van de Kerk de blik teveel op de geestelijkheid gericht te houden en de rest (de zogenaamde “lekengelovigen”) uit het oog te verliezen. Zij zijn uiteindelijk degenen die bepalen hoeveel “Christus” er in “Kerk” zit, niet hun pastoor.Afhankelijk van of men het heeft over de Griekse (orthodoxe) of Latijnse (katholieke) variant ervan wordt de top van de piramide gevormd door de bisschoppen van de plaatselijke Kerken samen als opvolgers van de apostelen (verzameld in zogenaamde “synoden”) of door de paus, die de bisschop is van Rome en specifiek als opvolger van de apostel Petrus wordt beschouwd. Dat verschil wordt nogal eens heel groot gemaakt, maar idealiter lijkt de katholieke werkelijkheid veel meer op de Griekse dan men doorgaans in de gaten heeft. Meer synodaal ingestelde pausen (Cf. Johannes XXIII, Paulus VI, Benedictus XVI) worden afgewisseld met meer autoritaire (Cf. Pius X, Franciscus) maar in de praktijk zijn oosterse patriarchen doorgaans met minstens evenveel macht bekleed, en onderhevig aan precies dezelfde dynamiek. Als je kijkt naar de korte termijn (jaren) functioneren beide modellen meestal zo slecht dat het droogkomisch aandoet. Op de lange termijn (eeuwen) kon het hele gebeuren tot minstens de eerste helft van de twintigste eeuw als “menselijkerwijs stabiel” worden betiteld. Dat lijkt wel niet de hoofdprijs, en dat is het ook niet, maar het is ook niet niks. Elke historicus zal je vertellen dat het ronduit indrukwekkend is. De rooms-katholieke Kerk is in feite de enige instelling van het Romeinse Rijk die nog gewoon bestaat en zelfs nog een soort van functioneert.Twee dingen moeten wij steeds goed in de gaten houden als wij dit fenomeen werkelijk willen begrijpen. Ten eerste kan de Kerk niet los worden gezien van onze cultuur en beschaving. Zij is er de ruggengraat van. Voor zover we kunnen nagaan was van alle beschavingen waarvan wij nog weet hebben de een of andere vorm van religie de uiteindelijke drager, en voor onze moderne, westerse beschaving is dat stiekem niet anders. Ook de grote meerderheid van mensen in de westerse wereld die nog nooit een kerkgebouw van binnen heeft gezien denkt de hele dag onbewust langs lijnen die door het christendom zijn uitgezet (of er juist expliciet tegenin lopen, maar ook dan worden ze er nog steeds door bepaald). Hoezeer de geseculariseerde westerling ook denkt in een wereld te leven die bevrijd is van godsdienstige wetten en waarden, in werkelijkheid “hangt” heel zijn subjectieve belevingswereld aan een skelet van vormen en normen, dromen en gewoonten, woorden en vanzelfsprekendheden die volledig uit de christelijke geschiedenis en cultuur zijn gevormd en voortgevloeid. Zelfs de geest van onze zogenaamde harde wetenschappen is in feite uit het christelijke kloosterwezen ontsnapt. De pater die dat hee
In de Advent verwachten we eigenlijk de verhalen uit het begin van de Evangelieën van Lucas en Mattheüs te horen. De verhalen over de aankondiging en de geboorte van Johannes de Doper, vooruit. Maar vooral ook de boodschap van de engel aan Maria, de droom van Jozef en het bezoek van de zwangere Maria aan haar nicht Elisabeth. Het kindje Johannes in de schoot van Elizabeth sprong van blijdschap op toen het zijn kleine Verlossertje in de buik van Maria herkende. Dát zijn opwekkende verhalen, dáár kunnen we wat mee. Dáár krijgen we een kerstgevoel van.Dus waarom in vredesnaam worden we alle vier de zondagen van de Advent doodgegooid met diezelfde Johannes, maar dan als hij al lang niet meer schattig is? Een stinkende, magere mopperkont in de woestijn. Bekeer u! Het einde is nabij! roept hij. De evangelisten schrijven heel optimistisch dat Jan en alleman zich door Johannes liet dopen, maar ik vermoed dat het in werkelijkheid niet meer dan een handjevol zal zijn geweest. Per slot van rekening hebben er in alle tijden van die verfomfaaide types rondgelopen die het einde der tijden verkondigden. Alleen dwaze oude vrouwen en mensen met een aanleg voor schizofrenie geloven in zoiets. Toch?Inderdaad. En meestal komen die bedrogen uit. Ten eerste zijn de meeste zedenprekers flessentrekkers. Let maar eens op. Hoe meer het over eerlijkheid en zuiverheid gaat, hoe meer het naar vis begint te ruiken. En die vis is zelden vers.Ik las deze week in de Elsevier een column van een zekere Daniela Hooghiemstra die, zoals de meeste mensen bij de Elsevier, niet overloopt van de lievige zweverigheid. Dat werd ook al gelijk duidelijk bij de eerste zin van die column. “Als iemand het woord ‘eerlijk’ in de mond neemt,’ zo schreef zij, ‘moet je altijd opletten. Net als ‘zuiver,’ ook een alarmbel.” Zij had zich evengoed door een vriendin laten meeslepen naar een yoga-les. “Wij, in de meerderheid vrouwen,” zo ging ze verder, “moesten liggend op de grond onze ogen sluiten, en het volgende dat ik wist, was dat de yogaleraar in al zijn zuiverheid bovenop mij lag.”Ik neem aan dat die eerste yogales voor mevrouw Hooghiemstra ook gelijk de laatste was. Niks ontluistert een boodschap zo grondig als wanneer de boodschapper hele andere dingen doet dan wat hij zegt.Priesters lopen daar vaak over te piekeren. Ook diegenen die niet bovenop je gaan liggen. De kans, bijvoorbeeld, dat ikzelf mij niet zou kunnen bedwingen om plotseling bovenop jullie te komen liggen is klein. Of het zou zo moeten zijn dat deze preekstoel niet vast genoeg aan de muur zit...Het lijkt erop dat het mee gaat vallen. Toch weet ik donders goed dat ik niet samenval met mijn boodschap, dat er tussen het Evangelie dat ik breng en mijn eigen werkelijkheid overal kieren en gaten zitten. En hobbels en bobbels.En Christus wil dat ik met kerst niet alleen vroom zit te dénken aan zijn geboorte hier op aarde, ooit eens lang geleden: hij wil ook - en vooral - hier en nu in en uit mij geboren worden.Nou komt hij best over een paar kieren en gaten en bobbels heen: de stal in Bethlehem was ook bepaald geen paleis met geboende marmeren vloeren.Maar ik verlang er toch ook zelf naar Hem niet te ontvangen in een donker en smerig hol.En zo geldt het niet alleen voor gewijde priesters. Dat geldt zo voor alle gedoopte christenen, die per definitie een vorm van priesterschap uitoefenen. Elke christen bemiddelt tussen deze wereld en God, is een ladder die van de hemel naar de aarde loopt, en waarlangs engelen zouden moeten afdalen en opstijgen.Daarom houden we onze aandacht toch nog maar even op wat die uitgebeende schreeuwlelijk van een Johannes allemaal roept in de woestijn.Baan een weg voor de Heer. Maak zijn paden recht.En of Daniela Hooghiemstra dat nou een goed idee vindt of niet: eerlijkheid en puurheid worden dan toch weer begrippen waar we niet omheen kunnen. Niet om anderen over te halen onze schone schijn te slikken. Wél om, heel stil en diep van binnen, onszélf aan te toetsen.Ben ik wel genoeg zoals de tollenaar in de tempel, die zei: ik weet dat ik hier eigenlijk niet mag zijn, omdat ik onwaardig ben deze heilige plaats te betreden. Of toch weer meer zoals de farizeeër die zegt: maar kijk eens naar hoe uitgesproken tof ik ben!De eerlijkheid en puurheid die Johannes van ons eist zijn de eerlijkheid en puurheid van een hart dat zich niet verbergt. Zich niet verstopt achter hobbels en bobbels en kieren en gaten.Maar die zich, naakt, voor God stelt en zijn best doet dat uit te houden. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
Sinterklaas als kinderfeest is superleuk, niks meer aan doen. Maar wat betekent Nicolaas eigenlijk als heilige? Zijn er nog mensen die serieus bidden tot Nicolaas? Doet de Kerk nog wat aan hem? Want hij is toch in 1969 van de kalender geschrapt? Of niet dan?O, wat was hij geliefd, de hele middeleeuwen door. Zowel in West- als in Oost-Europa hielden alle mensen van de heilige Nicolaas, tot de protestanten met hun anti-heiligencampagne begonnen. En zelfs die protestanten konden hem eigenlijk niet loslaten. Hij bleef, samen met de heilige Martinus, bij de reformatie zo’n beetje hangen. Hij raakte wel wat verfrommeld, verhuisde naar Spanje, kreeg omstreden personeel en veranderde in een zoetekauw, maar hij vertikte het toch ook te verdwijnen, hoe hard de dominees ook tegen hem preekten. Een beetje zoals zo’n balletje snot dat aan je vinger blijft plakken wat je ook doet. Of een bubbel onder het linoleum die je wel op en neer kan wrijven, maar nooit echt weg krijgt.Hoe dan ook, wie is nou eigenlijk deze Nicolaas die maar niet weg te branden is? Nou, we weten in ieder geval redelijk zeker dat hij bestaan heeft, en dat is al heel wat in dit soort gevallen. Zijn levensbeschrijvingen zijn weliswaar pas heel laat geschreven en staan vol met de gebruikelijke gezellige flauwekul, maar zijn naam komt al wel voor in oude lijsten met bisschoppen. Ook werden er al vóór de zesde eeuw kerken aan hem gewijd en staat zijn feest ook al heel vroeg op allerlei kalenders.Bijna iedereen is het erover eens dat hij bisschop was en in de vierde eeuw moet hebben geleefd, dus in de volle bloei van de kerkvadertijd. Dat was geen sympathieke periode. Het klinkt bizar, maar de meeste heiligen uit die tijd waren ruziezoekers en vechtersbazen. Dat is niet helemaal hun eigen schuld: het was precies in die tijd dat de officiële leer van het christendom zich aan het vormen was. Dat gebeurde vooral door eindeloos te filosoferen en soms ook te fantaseren over wie die Jezus Christus nou eigenlijk was geweest. Daarbij bloeide er van alles op, ook ideeën die achteraf niet zo gelukkig waren, en die moesten dan weer bestreden worden.De Romeinse keizers waren niet dol op al dat theologische geharrewar, want dat bracht de politieke stabiliteit van het keizerrijk in gevaar. Soms grepen ze dus in. Tegenwoordig wordt vaak gezegd: ‘de christelijke theologie is bedacht door keizer Constantijn’ of iets in die geest. Maar dat is onzinnig. Hij zou niet hebben geweten waar hij zou hebben moeten beginnen. Wat hij wel deed was zoveel mogelijk bisschoppen van overal vandaan bij elkaar in één hok stoppen en eisen dat ze tot een gemeenschappelijke consensus zouden komen. Een concilie, werd zoiets genoemd. De eerste keer dat hij dat deed bracht hij ze bij elkaar in stad niet ver van Constantinopel, Nicea, het huidige Iznik in Turkije. Daar werd voor het eerst vastgelegd dat Christus één in wezen met God de Vader is, tegen de leer van Arius.Ik vertel het zo uitgebreid omdat er van de heilige Nicolaas wordt verteld dat hij niet alleen op dat concilie in Nicea aanwezig was, maar ook nog die Arius, wiens leer daar bestreden werd, een mep verkocht zou hebben. Zo’n rare gedachte was dat niet, want Myra, waar Nicolaas bisschop was, lag maar zo’n twee weken reizen van Nicea vandaan. Doenlijk, voor die tijd. Ook zet het verhaal Nicolaas neer als een belangrijke speler in de kerkgeschiedenis en een stoere voorvechter van de rechte leer.Hij was er alleen waarschijnlijk niet, want hij komt niet voor op de deelnemerslijsten. Misschien had hij een griepje. Misschien had hij wat anders te doen. We weten het gewoon niet.Goed, wat weten we dan wel? Hij was dus bisschop van Myra. Dat was een provincieplaatsje in de toenmalige provincie Lycië, aan de zuidkust van het huidige Turkije. Dat was niet zo’n heel hoge functie in die tijd, meer te vergelijken met een pastoor van een grote parochie later, of een deken van een aantal parochies. Hij heeft geen geschriften nagelaten, en ook zijn er geen mensen uit zijn eigen tijd die over hem hebben geschreven.Maar het ligt wél voor de hand dat hij lokaal, in zijn eigen omgeving, een ijzersterke reputatie had als weldoener. Als iemand met een grote empathie die zijn nek uitstak om mensen die leden te helpen. Legenden groeien namelijk niet uit het niks, maar ontkiemen uit een soort zaadjes van verhalen die door mensen worden rondverteld. En alle legenden die Nicolaas later zijn contouren hebben bezorgd, gaan over zijn medelijden met mensen in de verdrukking.Zo is er het verhaal over de arme man met zijn drie dochters. Hij kon voor hen geen bruidsschat betalen en was ten einde raad. Hij stond op het punt hen aan een bordeelhouder te verkopen toen een geheimzinnige weldoener tot drie keer toe een zak goud bij hem naar binnen gooide. Die weldoener was de jonge Nicolaas, nog geen bisschop, maar wel rijk. Hier komen de drie gouden ballen vandaan die heiligenbeelden van Nicolaas vaak als attribuut dragen. Een attribuut is een voorwerp waaraan je een heilige kan herkennen.Hij heeft niet altijd die drie gouden ballen. Heel vaak heeft hij ook een kuip aan zijn voeten staan waarin drie biddende knaapjes zitten. Dat komt van een andere legende. Er was eens een hongersnood in die streek. Er was nergens nog vlees te krijgen. Daarom vermoordde een herbergier drie studenten die bij hem wilden overnachten. Hij hakte ze in stukken en pekelde ze in om ze later als gezouten vlees te kunnen verkopen. De goede Sint Nicolaas betrapte hem daarop. Hij brandmerkte hem met zijn blik, plakte de studenten weer aan elkaar en blies ze de levensadem weer in de neus. Sindsdien is hij de beschermer van de kinderen en jongelingen.Bij de volgende hongersnood meerden er drie schepen met graan voor de keizer aan in de haven van Myra. Nicolaas smeekte de zeelieden om graan voor zijn bevolking, maar die weigerden. Elke korrel moest naar de keizer. Daarop beloofde Nicolaas hen dat er, als ze in Constantinopel aan zouden komen, geen korrel minder in hun ruimen zouden liggen. En zo gebeurde. Al het graan werd uitgedeeld en heel de stad Myra overleefde daar twee volle jaren op. Toch kwamen ze met dezelfde hoeveelheid koren in Constantinopel aan als waar ze mee waren uitgevaren.Dit zijn allemaal legenden die ontstaan zijn tussen de zesde en de twaalfde eeuw. Ze dienen als een soort vignetten voor zijn karakter: hij was een toonbeeld van empathie, dat is duidelijk. De details zijn verzonnen.Dat verhinderde op geen enkele manier dat hij in veel streken de meest populaire heilige na de Maagd Maria werd. Zoals gezegd steekt hij in sommige oosters-orthodoxe streken zelfs Onze Lieve Heer zelf nog naar de kroon. Vooral in Rusland ontstonden de meest lieflijke volksverhalen over hem. Daar werd hij op den duur vooral opgevoerd als de barmhartige tegenpool van de strenge profeet Elia. Als Elia besloot de mensen te straffen voor hun goddeloosheid en hun morele verdorvenheid loste de heilige Nicolaas dat stiekem met allerlei kunt en vliegwerk weer op, omdat hij medelijden met de mensen had.Dat het daar om boerenlegenden gaat, wordt onmiddellijk duidelijk. Ze staan stijf van het landbouwjargon en draaien nauwelijks om geestelijke zaken, maar om eenvoudig geluk of ongeluk hier op aarde.Zo waren Elia en Nicolaas eens samen aan het wandelen toen ze een jong boertje tegenkwamen dat zo blij was als een hond met twee staarten. Elia vond zoveel vrolijkheid ongepast op deze zondige wereld, en vroeg waarom hij zo blij was. Het boertje, dat Iwan - zeg maar Jantje - heette, zei dat zijn landerijen er blakend bijlagen en zijn paarden gezond waren. Het enige wat hij zich nu nog wenste was dat de goede Sint Nicolaas hem een weelderige tarweoogst zou geven.De strenge Elia was daar verontwaardigd over, want dat was van oudsher zijn taak. ‘Ik zal hem eens lekker te grazen nemen,’ zei hij tegen Nicolaas. ‘Ik laat zijn tarwe glanzend en schitterend van gezondheid opkomen, en dan verniel ik het op het laatste moment met een geweldige donderbui.Daarop ging Nicolaas ‘s avonds stiekem naar het boertje. ‘Verkoop je tarwe maar,’ zei hij tegen hem. De arme Iwan begreep niet waarom hij in godsnaam die prachtige tarwe zou moeten verkopen, maar deed het toch maar, uit eerbied voor dat geheimzinnige oude vadertje. Hij verkocht de tarwe op zijn land aan zijn buurman, die er de koning te rijk mee was en hem voor gek verklaarde.Even later vernielde Elia met zijn donderbui natuurlijk die tarwe. ‘Maar die had hij net aan zijn buurman verkocht!’ zei Nicolaas met een onschuldig gezicht tegen Elia. Die stampvoette van boosheid op de grond en bezwoer dat hij de tarwe weer op zou richten, en mooier zou maken dan ooit. Daarop ging Nicolaas natuurlijk weer snel naar Iwan en zei hem de vernielde tarwe van zijn buurman terug te kopen voor de helft van de prijs. Enzoverder, enzovoort.Dit soort verhalen maakt wel duidelijk dat Nicolaas en Elia in Rusland de trekken van oudere Slavische natuurgeesten hebben overgenomen. Elia lijkt duidelijk op Perun, de Slavische dondergod. Nicolaas neemt de rol over van Veles, en eventueel van andere beschermgeesten die de mensen goed gezind zijn. Geen wonder dat hij voor de Russen wel ongeveer goddelijke proporties kreeg.Maar in heel het christelijke oosten vind je zijn ikonen werkelijk overal terug en blijft hij onverminderd populair.Dat maakt het dan wel weer ironisch dat hij in de katholieke Kerk onder vuur kwam te liggen bij een poging de oecumene te dienen, dus de eenheid met andere christenen. In 1969 werd hij door de liturgievernieuwers van de universele kalender geschrapt, bizar genoeg tegelijk met de drie andere heiligen die in de middeleeuwen ooit juist het meest waren vereerd: Barbara, Catharina en Margaretha. Ook de heilige Christoffel moest toen het veld ruimen, tezamen met nog een hele rij oeroude heiligen. Ze zouden te weinig historische basis hebben om serieus genomen te worden.Aan de ene kant verbaast dat niemand, want de liturgievernieuwers in de jaren zestig leken sprekend op de calvinistische domin




